Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2002-04-21 17:00:00 prof. dr. A. de Reuver (Delft)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
rom 8:34 jes 50:4-10 rom 8:26-39 2002-04-21.1711a.mp3 (Schriftlezing, 16kPro, 0.2Mb)
2002-04-21.1711b.mp3 (Schriftlezing, 16kPro, 0.3Mb)
2002-04-21.1713.mp3 (Preek, 16kPro, 6.4Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Enige tijd geleden klopte er iemand bij mij aan, die God kwijt was. Ze had wel hoop en zicht op Gods belofte gekregen. Maar alles was zo ver weg, voor haar gevoel. Zo verdonkerd. Dan kun je er niet meer bij. En dan komt de gedachte op: zou het wel waar zijn. En ze kon ook eigenlijk niet bidden. Het lijkt alsof die weg geblokkeerd is. Dat was niet haar eerste keer. Een echte tobber.
Misschien zijn er onder u ook wel zo: ooit kreeg je Hem lief. Je hebt Zijn naam beleden. En dan komen de omstandigheden van het leven, van je omgeving en je eigen aard, en die trekken je naar beneden. Het ontbrekt je aan de moed om te bidden. O mijn ziel wat buigt gij u neder, hoop op God. Maar het gaat niet.
Ik heb die tobber, die ik in mijn hart herken, herinnert aan de lijdende Knecht des Heeren. Die passage, waarin Hij zegt, ik geef Mijn rug aan degene die mij slaan. En zij bonden Hem. En daarin zegt Hij: de Heere HEERE helpt Mij. Je zou zeggen, als er ooit een is verlaten dan Hij toch daar. Maar nee: Hij is nabij die Mij rechtvaardigt. Wie is het die Mij zal verdoemen, terwijl alles en iedereen Hem veroordeeld! En dan volgt die kostbare raad uit de mond van de Knecht des Heeren: Wie is er onder u, en Hij kijkt ons allemaal aan, die de Heere vreest en hoort naar Mijn stem?
Als je in de duisternissen wandelt en geen licht hebt: laat Hij dan betrouwen op de Naam, er in weg kruipen. Een Naam om te noemen. Ik Zal Zijn. Een en al belofte. Een noodkreet, een noodsprong. Een sprong in het kinderlijke vertrouwen, dat Vader je opvangt. Geen doodssprong. Geen fraaie gebeden zijn het. In je zelf vind je geen grond. Die Bidder die het heeft, als ik het niet heb, die het kan als ik het niet kan.
We zijn allemaal even grote tobbers. Paulus toch niet? Vraag het hem zelf. Hij vertelt in Zijn brieven dat hij ver gebracht was in zijn geloofsleven. 'Wij dan gerechtvaardigd door het geloof, hebben vrede met God'. Maar hij noemt zich ook vleselijk, verkocht onder de zonde - snikkend. Dat is geen kille constatering, hij gaat er onderdoor. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen? Natuurlijk veert het geloof op. Maar vlak voor onze tekst, blijkt de zanger een zuchter te zijn. Hij zucht mee met de hele schepping, uitziende naar de verlossing. Hij was toch verlost? Ja - maar in hope.
Het zuchten helpt niet - dat heeft geen waarde. Paulus zegt: het is dat de geest onze zwakheden (over tobber gesproken) te hulp komt anders zouden wij niet eens weten te zuchten, te bidden. Weet jij niet te bidden, Paulus? Ik keek zo tegen je op - dat moet je niet doen, hoor; maar tegen Jezus.
Ik weet niet hoe juist te bidden - ik weet mijn eigen ellende niet te doorgronden, laat staan de grootte van de genade. Paulus heeft ook een geheim. Hij weet zich in zijn machteloosheid een adoptief kind van God. Ik lig voor Zijn rekening. Het is niet veel soeps met mij. Ik ben Zijn kind. En daarmee ook Zijn erfgenaam. Mede-erfgenaam met Christus. Daarmee krijg je *ook* alles. Deze wondere bevrijdende verzekering geeft Paulus de moed te getuigen, de Geest van God bidt voor ons. Ik weet niet te bidden - maar ik weet wel dat alles medewerkt ten goede voor degene die op God vertrouwen.

Ik ken het ook, dat ik tegen mijn onkunde aanloop: luister dan welke medicijn de apostel aanreikt. Als de dokter zegt, het ziet er niet best uit, maar er is een goed medicijn, dan laat je dat ook niet staan - je kijkt er niet naar. Stond er bij en keek ernaar. Paulus reikt medicijn aan: geloof, berg het in je hart, dat God alle dingen mede doet werken, ook dat kromme, dat onbegrepene. Alle dingen, ook je inzinkingen, je aanvechtingen, je gebedsnood, je biddeloosheid. Dat alle dingen medewerken ten goede. Geen 'zand erover', maar 'bloed erover'. Er over gespreid, gewist.
Ook het onbegrepene, medewerken ten goede. Het is dus toch doelmatig. Wat is dat 'goede'. Dat wij leren wat genade is. Tegen Paulus zegt de Heere, Mijn genade is u genoeg - maar de doorn nam Hij niet weg. Die genade. Wij kleiner, Hij groot. Het laat Paulus de zuchter weer opstijgen tot de jubel.
Wat zal tegen ons zijn: verdrukking, honger - weten wij wat dat is? Gevaar, heel concreet heeft Paulus dat meegemaakt - veel gereisd. In deze tijd: depressies, vereenzaming, tranen, trauma's, ziekte, dood. Allemaal tegenstanders, vijanden, die het geloofsleven bestoken. Wie bevrijdt uit dat beleg?
Die God die Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard. Het allerliefste had Hij voor ons over. Dan ook het mindere. Wie zal tegen zijn? Kom maar op - iets triomfantelijks heeft het, als Paulus op God en Zijn belofte ziet. Wie zal beschuldigingen inbrengen? Hoe durft hij? Hij kruipt weg achter het schild van het geloof! Geborgen in Christus. Hij moet zich hier beroepen op Jesaja 50. Wie is er die zal verdoemen? Dat eigent hij zich toe. Niet op eigen gezag. Hij is niet zelf zo flink - God verklaart rechtvaardig. Dan kan iedereen zeggen, je bent het niet waard. Dat is waar, maar ik schuil achter de Here zelf: wie zal het vonnis vellen? God zou dat doen, als Hij in het recht zou treden. Maar bij Hem is vergeving, altijd geweest. En die heeft Hij bekend gemaakt en verzegeld in de dood van Christus.
Wie zal mij verdoemen? Christus is opgewekt. "Christus" - het weerwoord van het geloof. "Chris-tos" twee lettergrepen.
Christus alleen, in vier aspecten:
1. die gestorven is, dwz voor ons, naar de profeten. Zo was het tussen de Vader en de Zoon overeengekomen.
2. (wat meer is) die ook is opgewekt; maar Paulus wilde toch alleen weten van Christus en die gekruisigd. Dat is het hart van het heil: maar Hij is niet in de dood gebleven. Door de dood heen. Wij geloven in een Koning die gekruisigd en opgestaan is.
3. Hij is ook ten hemel gevaren, en neemt een ereplaats in bij God. Maar het is wel ver weg. Maar bij Jezus is het niet `uit het oog, uit het hart`. Hij verliest al niet uit het oog, laat staan uit het hart. Maar allen die de Zijnen zijn, zijn daar ook. Ons leven is verborgen in het hart van Christus. Aan de rechterhand - hij deelt in de Almacht van God. Hij is overal, ook in de diepte, en de biddeloosheid. Hij is erdoor, en wij zijn op doordocht. Hij bereid de plaats voor. 'Ik haal het niet Here'. 'Dat hoef niet: Ik haal je'. Hij draagt ons er hier doorheen. Ik weet soms niet hoe het moet... de afval is zo aangrijpend, de cultuur is zo vijandig en besmettelijk. Hoe blijven we staan? Och wat buig je je neer - hoop toch op God, anders zou ik het ook niet weten! Wij hebben een Koning die alle macht heeft. Hij laat ons niet alleen.
4. Die ook voor ons bidt. Daarmee zijn we weer terug bij het begin. Hij is niet opgevaren om van ons af te zijn. Maar om nooit meer van ons af te komen, door te dragen tot op de jongste dag. Als je moeilijk van je getob een gebed kunt maken - het is wel telerustellend, maar niet ernstig: het is niet afhankelijk van ons gebedsleven. We bidden wel - een leven lang. Maar onze hoop op God hangt toch niet af van onze gebrekkige gebeden? Er zit daar een Koning die priesterlijk voor ons bidt! Hij faalde niet, nooit. Simon, Simon, Ik heb voor je gebeden. God heeft niet te worden bewogen, dat is Hij al lang. Jezus laat Zijn handen zien. Ze zijn van Mij, en Ik ben van U, en daarmee zijn ze van U.

Als je niet kunt bidden: zeg dan, omhoog jij, hart, daarboven is allang aan je gedacht. Al mijn onrust ten spijt, kan ik alle nood aan Zijn voorspraak over laten. Als Hij komt zal Zijn gebed voleindigd en verhoord zijn. Kijk eens wat een erfenis. Wat is weggelegd van voor de grondlegging der wereld.
Maranatha.

Edit