Edit|
EditReeks Samenvatting:
Zo zijn ze samen gegaan, Abraham en Izak, samen de offerberg op. Vers 6 en 8. Wat een gang. Zou Sarah gevraagd hebben, waar ga je heen? Achter God aan. Een zware gang. Hij moet de smartenberg op. En eerst de lange smarteweg, 80 km, drie dagen.
Eens brachten de moeders hun kinderen tot Jezus, hier brengt een vader z'n kind naar God. Wat een weg. Zijn enige, liefste. Geen stem roept nog: halt zo is het genoeg. Ik zie dat je me dient, je bent gehoorzaam. Hij moet verder, de laatste druppel uit de beker drinken. God geeft geen verandering, op elke plek van de route kijkt Abraham uit naar God. Alleen moet hij de weg gaan, met zijn zoon.
Dan komt hij aan op de plek, met z'n jongen, met vuur, hout en mes. Nu ging het gebeuren, wat niet gebeuren kon. Waar is het lam, vraagt Izak. Dan: een vreselijke zucht? Abraham bouwde een altaar. Steen voor steen. Het wordt in de finesses verteld. Een altaar voor zijn eigen kind, zo een heeft hij nooit gebouwd. Wat zal hij geschikt hebben, en nog eens geschikt. Uiteindelijk moest het gebeuren - toen bond hij zijn zoon. Geloof maar dat hij eerst flink heeft gesproken met zijn zoon. Hij heeft maar één argument, God heeft het gezegd.
Misschien heeft u ook wel eens zo met uw kind gesproken, vlak voor een gevaarlijke operatie of, o donker uur, voor het moest sterven, dan blijft één woord over, God. Abraham bond zijn zoon Izak en legde hem op het altaar, maar Izak liet zich binden en neerleggen. Anders had het Abraham gewoonweg niet gelukt. Izak heeft het woord van zijn vader van Godswege aanvaard. Gewillig afgewacht.
Net als het offer van Goede Vrijdag. Daar werd een Zoon door Zijn Vader geofferd.
Abraham strekte zijn hand uit. Hij moest doen wat God had bevolen. Dan klinkt een stem uit de hemel. Abraham, Abraham; zo klonk het 'Jakob, Jakob' maar een keer, voor hij zijn zoon weer zou zien; Mozes, Mozes, bij de brandende braambos, Samuël, Samuël bij het aanzeggen van het oordeel. Jeruzalem, Jeruzalem, u hebt niet gewild. Simon, Simon, ook dat maar een keer: ik heb voor u gebeden.
Abraham, Abraham wat zal dat geklonken, weergalmend hebben tussen de bergen. Van alzo hoge, van alzo veer. Op Moria is Abraham, Izak, het altaar, het vuur het mes en God. Voor het eerst in dit stukje wordt God Heere genoemd, de verbondsnaam. In de openbaring van Zijn barmhartigheid en de heilige. De Engel des Heeren, de Oud-Testamentische openbaring van de Here Jezus. Voor dat Hij kwam in het vlees, Hij treedt tussen beide. Doe hem niets!
Dit mogen we niet normaal vinden. Dan zien we de zonde niet echt genoeg. Is er een mens die zegt, mij doet God niets? Mijn hand is zuiver? Kunnen wij God ontmoeten? Is Izak niet ook een zondig mens, net als wij? We zijn allemaal zondaars, dat klinkt goed, maar soms is het een 'erestatus'. Wie kan voor Gods aangezicht bestaan? De moordenaar rechts van Jezus wist het: wij hebben dit verdiend, maar Here, gedenk mijner.
Abraham, Abraham, zo zwaar klinkt het als het wordt overgenomen door Golgotha, door de wereld wordt het gehoord. Doe Izak niets, doe de moordenaar niets, doe de verloren zoon niets. Wat een evangelie, de goddelijke ruil. Geef Mij jouw schand-ring aan Mijn vinger en laat Mij je geven Mijn eer.
Op Golgotha blinkt weer een mes, maar daar geen stem uit de hemel, wel: Eli Eli lama sabachtani.
Zie hier ben ik, zegt Abraham, Hij is met Izak op de goede plek. Ook Izak is daar veilig. Veiliger onder het mes op Moria dan zonder God in een schuilkelder.
We kunnen er dit uit leren, ouders: we willen een goede, veilige plek voor onze kinderen. Maar opvoeden is niet makkelijk vandaag. Ik vind; ik doe waarin ik zin heb. Het lijkt alsof je tegen een muur praat. Toch: probeer de kansen te benutten om af en toe met uw kinderen te praten, te wandelen. Gebrek daaraan verwijten kinderen hun ouders soms. En ook: buiten God is het nergens veilig. Er is een hoop mooie praat, zelfs vrome praat. Breng uw Izak bij Gods Izak. Hij die zegt, Zie hier ben Ik. Laat ons bij u geborgen zijn, Heere.
Op Golgotha wil Christus gemeenschap met God bewerken voor ieder die zijn vlucht daarin neemt. Kom nu bij Hem, ook met uw smart. De vrienden bij het kruis stonden van verre, staat er. Begrijpelijk, maar ze misten veel. Zijn bede om vergeving, woorden tot Zijn moeder, de moordenaar, tot Zijn God. Kom dicht bij staan, liever: kniel neer. 'Here Jezus, U was het die zelf op het altaar U deed leggen, zo zwaar nam U mijn zonden'. Wij zijn het, die hadden moeten sterven. Leer ons Uw lijden recht betrachten. U te zien als onze `remplaçant`. Die voor ons in de plaats ten strijde trekt, en sterft. Maar wij moeten allen voor God verschijnen. U moet Hem ontmoeten. Mijn offer reikt niet toe. Abraham kan niet gaan voor zijn zoon. Maar er was een ram op de berg. Wanneer Abraham met lege handen staat. Izak wordt van het altaar gehaald. Voor Christus heeft God zelf gezorgd.
Het is heerlijk waar. Duizend, duizend maal o Heer, zij U daarvoor dank en eer. We verlangen ernaar oprecht te wandelen, een Christus te zijn voor een ander. De roem en eer is alleen voor Hem. En geen ander. Hij alleen. Geen wereld neemt het af. Hij alleen, om het eeuwig welbehagen.
Soli Deo Gloria.