Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
lezing 2010-04-13 19:45:00 Wijkavond Ds Van der Want

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
AG2020.__5.mp3 (, 48kPro, 41.0Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
De Joodse achtergrond van de Evangeliebeschrijvingen

Enige jaren geleden waren wij samen met een aantal collega’s. Zoals iedereen graag met collega’s of vakgenoten praat over zijn werk, zo kwam het tijdens het gesprek de vraag naar voren hoe iedereen zich voorbereidde op de wekelijkse Woordbediening. Uiteraard gaf men toe onder andere gebruik te maken van commentaren. Wij stelden toen de vraag welke commentaren men zo al nasloeg. Er werden een aantal bekende en minder bekende commentaren genoemd, maar allemaal vanuit de christelijke hoek. Op de vraag of men ook wel eens Joodse Schriftverklaringen er op nakeek, bleef men niet alleen het bevestigende antwoord schuldig, ‘maar’, zo zei men, ‘van mensen die Christus verwerpen valt weinig te leren.’

Bovenstaand voorbeeld geeft pijnlijk aan hoe over het algemeen door de Kerk werd en wordt gedacht, dat niet door de synagoge, c.q. het jodendom, maar pas door haar het Oude Testament haar geheimen heeft prijsgegeven. Men gaat er vanuit dat de Joden het Nieuwe Testament niet verstaat, omdat Israël het Oude Testament niet verstaat. Maar het is de vraag of de Kerk zelf wel het Nieuwe Testament kan verstaan, als zij denkt het joodse Oude Testament of Tenach kan verstaan, zonder kennis te nemen van hoe de joden zelf de Tenach uitleggen.
Het gevolg is dat de Kerk al ruim tweeduizend jaar leest en preekt uit een boek dat voluit Joods is, maar men nog zo weinig de moeite heeft willen nemen om te luisteren naar hen, namelijk de Joden, aan wie volgens Paulus als eerste de woorden van God zijn toevertrouwd. Er zijn dan ook redenen genoeg om hier eens dieper op in te gaan.
Vanavond willen wij dan met u spreken over de joodse achtergrond van de Evangeliebeschrijvingen. Hoewel uiteraard ook de brieven van de apostelen, die joden waren, een joodse geest ademen, hebben we ons in onderzoek van de afgelopen tien jaar, nadrukkelijk beperkt tot de Evangeliën. Anders zou ons veld van onderzoek te breed zijn geweest. De lezing van vanavond bestaat uit drie delen. Allereerst willen wij een algemene inleiding geven over dit onderwerp. Ten tweede willen wij kort stil staan bij de bronnen die voor ons onderwerp van belang zijn. In het derde deel van onze lezing willen wij aan de hand van enkele voorbeelden ons onderwerp toelichten.

‘In het jaar van de ‘Kristalnacht’, toen het de Joden maar al te duidelijk was dat Jezus voor het christendom verloren was gegaan, vond Leo Baeck de tijd en de gelegenheid, de Joodse Jezus als een verstoten broeder bij zich te nemen.’ Zo beschrijft Pinchas Erwin Lapide (1922-1997) in zijn boek ‘Is dat niet de zoon van Jozef’, de ontdekking die de Joodse geleerde Leo Baeck (1873-1956) deed, dat de Jezus in Wiens naam een volk werd uitgeroeid, een andere was dan de Jezus die het Evangelie beschrijft. Hij kwam tot deze ontdekking door goed zijn eigen erfgoed te bestuderen. Baeck ontdekte dat in de loop van de tijd om het Evangelie muren waren opgebouwd, door bouwstenen van het westerse en hellenistische denken. Daardoor was een verwrongen beeld van Jezus ontstaan. Baeck trachtte deze muren te slechten, zodat het oerevangelie weer voor de dag zou komen. Hij vond daar voor het gereedschap binnen het volk waartoe hij zelf behoorde. In zijn boek met de veelzeggende titel: Das Evangelium als Urkunde der jüdischen Glaubensgeschichte schrijft hij onder andere: ‘Pas als (we) de mondelinge overlevering zoals die destijds in het Jodendom van Palestina leefde, met al haar spirituele en poëtische verhalen en berichten hebben begrepen, kunnen we ook de samenhang en de verschillen tussen onze evangeliën begrijpen. Het Evangelie neemt volledig deel aan al deze karakteristieken, want het is maar niet een deel van deze traditie’.
Baeck ging terug naar ‘de bronnen’. Ad Fontes, ‘terug naar de bronnen’. Met bronnen bedoelde men de oorspronkelijke teksten waarop een argument berust. Hierdoor trad er een nieuwe geestelijke stroming op: het Humanisme. Het ging de humanisten als Erasmus om de kennis van Grieken en Romeinen terug te vinden uit hun oorspronkelijke teksten.
Dat betekende in de vijftiende en zestiende eeuw het bestuderen van de klassieke antieke literatuur, als ook het leren van de Griekse en Latijnse taal. Evenzo verwezen de reformatoren uit de zestiende eeuw en later, in tegenstelling tot de Roomse Kerk naar de Bijbel als enige bron voor het christelijk geloof.
Ad Fontes, zou ook het devies moeten zijn voor de Kerk om weer tot het juiste verstaan van het Evangelie te komen. De vraag die daarbij centraal moet staan is: ‘Hoe werd het Evangelie
gelezen en verstaan door hen voor wie het allereerst geschreven was: Israël. Hoe verstonden de Joden van Jezus’ dagen wat de Jood Jezus sprak en deed?
Tegelijk ligt daar ook een probleem, althans wanneer we de moderne Schriftcritici moeten geloven. Zij ontkennen niet alleen dat de Evangeliën door en voor Joden zijn geschreven, maar zeggen zelfs dat de evangeliën een anti-Joods karakter hebben. Zo zegt Ewout v.d. Linden in zijn boek ‘Wie is die man?’: ‘Het probleem is dat de berichtgeving uit de Evangeliën duidelijk gekleurd is door latere ontwikkelingen, met name de groeiende breuk tussen jodendom en christendom. Vooral de Evangeliën die een joods-christelijke achtergrond hebben, dragen sporen van latere anti-Joodse bewerkingen. De uiteindelijke versie van het Evangelie naar Mattheüs en vooral het Evangelie van Johannes hebben een felle anti-Joodse accentuering ondergaan’.
Tegelijk is het daarentegen beschamend, dat Joodse geleerden als David Flusser (1917-2000), en Pinchas Lapide (1922-1997) juist wél uitgaan van de grote historische betrouwbaarheid van de Evangeliën.
Trouwens, het is opmerkelijk dat er al ruim honderdvijftig jaar van joodse zijde veel belangstelling geweest is voor Jezus en het Nieuwe Testament. Het is door de reeds eerder genoemde Flusser, Lapide, en niet te vergeten Martin Buber en vele andere Joodse geleerden, dat veel christenen oog hebben gekregen voor de nauwe relatie tussen jodendom en christendom, en zijn gaan zien dat men voor het verstaan van het Nieuwe Testament niet buiten kennis van het Jodendom om kan. Terecht en treffend luidt de aanvangszin van de verklaring die de Duitse roomse bisschoppen op 28 april 1980 uit gaven: ‘Wie Jezus Christus ontmoet, ontmoet het jodendom.

Vanwege de afwijzende houding van het christendom ten aanzien van het Jodendom, stelt de Joodse filosoof J. Klausner in zijn boek ‘Jesjoe hanotsri’ een aantal indringende vragen. Namelijk: ‘Hoe is het mogelijk dat Jezus als een Jood leefde en stierf en dat zijn leerlingen en de leerlingen van zijn leerlingen zich vervolgens verwijderden van het Jodendom van Jezus? Hoe kan het dat het christendom uit het Jodendom geboren werd en dat het toch het Jodendom als natie verwierp?’ Eén van de vele antwoorden op de vraag is: omdat de Kerk zich van haar joodse wortels heeft losgemaakt. Met name als het gaat om het verstaan van het Oude Testament. De Kerk uit de volken is met het boek dat allereerst aan Israël gegeven is, de Tenach, het Oude Testament, aan de haal gegaan. En denkt Israël niet nodig te hebben als het gaat om het verstaan van zowel het Oude maar ook het Nieuwe Testament.
Dr. G.H. Cohen Stuart schrijft: ‘Het christendom heeft doorgaans de rabbijnse uitleg van het Oude Testament als vals beschouwd omdat de meerderheid van het Joodse volk Jezus als Messias heeft afgewezen.’ Cohen Stuart zegt hierover: ‘Wie deze opvatting deelt, ziet over het hoofd dat de schrijvers van het Nieuwe Testament Joden waren, die leefden en dachten als Joden, ook al hadden ze een andere mening dan de meerderheid.’ Verder waarschuwt Cohen Stuart: ‘Als we de rabbijnse uitleg van het Oude Testament niet bestuderen, blijven we de pointe missen van de debatten tussen Jezus en Zijn volgelingen met hun tijdgenoten. Dan blijven we het Nieuwe Testament even verkeerd verstaan als we de eeuwen door gedaan hebben in het spoor van de vroege Kerk. Zonder de rabbijnse literatuur kunnen we Jezus en het Nieuwe Testament niet juist verstaan. In die literatuur komen we het dichtst bij de cultuur waarin Jezus en de Zijnen leefden en met elkaar debatteerden.’

Eén van de verwijten van joodse zijde is, dat men zegt dat het christendom te veel en te lang, wat men noemt ‘Jezus hebben geannexeerd’. Bij hen die tot inzicht zijn gekomen dat Jezus inderdaad de lang Verwachte is, of in ieder geval belangstelling voor Zijn Persoon en prediking hebben gekregen, heeft niet zozeer het nationalistisch gevoel een rol gespeeld, maar vooral het goddienstig aspect. Het verwijt van joodse zijde is dat de kerk eeuwenlang in een Jezus heeft geloofd die teveel gekleurd is door het Griekse en westerse denken. Daardoor is het zuivere beeld verdwenen, dat Jezus een Jood was en als Jood, ook als godsdienstig Jood, leefde. Lapide vat het aldus samen: ‘Dat is precies wat me voor ogen staat op zoek naar de ‘vijfde Jezus’, niet die van de vier Griekse evangelisten, maar de oorspronkelijk, voorkerkelijk, die in de synagogen van Galilea preekte, die op rabbijnse wijze met Zijn collega’s over godsdienstige kwesties debatteerde en redetwistte, in wie Petrus en de zijnen konden geloven, als verkondiger, als profeet en als begenadigde Gods.’

Aangrijpend en veelzeggend zijn de beelden in het portaal van de kathedraal van Straatsburg, waar we twee opmerkelijke afbeeldingen zien. Aan de ene kant is een fiere, verheven, hemelse vrouwenfiguur zichtbaar, die de eerbiedwaardige Kerk moet afbeelden. Aan de kant zien we een geblinddoekte vrouwenfiguur; de blinde synagoge. De betekenis is duidelijk. De Kerk, als het volk van God, heeft het licht van Gods openbaring. Het huidige jodendom is met blindheid is geslagen en heeft als volk van God afgedaan. Deze opvatting heeft onmiskenbaar het antisemitisme in de hand gewerkt.
Dr. R. Bos geeft in zijn boek ‘Wij hebben gehoord dat God met u’ de volgende scherpe samenvatting: ‘Als de Messias eenmaal geboren is, is de rol van Israël en de Joden uitgespeeld en neemt de Kerk vanaf dat moment de fakkel over. Het oudtestamentische ‘wij’ en ‘ons’ gaan over op de Kerk. Jezus dreigt daarmee buiten het verband van Israël te komen. Dat kan erop uitlopen dat de Jood Jezus tegenover de Joden komt te staan. Jezus is dan niet meer een Jood als wel de eerste christen.’ De zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968) zegt dat ‘met de komst van Christus in het vlees de rol van het Bijbelse Israël uitgespeeld’ .
De bekende, en ook in onze kringen geachte dr. W. Aalders is zeer kritisch in zijn visie op Israël, onder andere in zijn boek ‘De Apocalyptische Christus’. Volgens Aalders is de rol van Israël geheel uitgespeeld en dat heeft zij aan haar zelf te danken . Israël was bestemd om een heilstijding te brengen voor de hele wereld. Het had een grote profetische roeping kunnen vervullen in de wereld als het Christus had aanvaard, maar Israël heeft Bar-abbas gekozen. De Kerk heeft toen als het nieuwe Israël de last van Israël overgenomen. Mattheüs riep op tot het dopen van alle volken en wekte de Kerk op midden in de geschiedenis te staan. De heilsboodschap is dus als het Nieuwe Testament van de Wereldheiland aan het Oude Testament toegevoegd. Israël zal wel eens de Wereldheiland aanvaarden, maar dan als een rest. Israël mist de ontsluiting naar de historie. Het blijft een hardnekkig volk, maar dat geldt voor iedereen die de genade van Christus verwerpt’.
Het kan bijna niet anders, dan dat deze visie van Aalders en anderen, als het gaat om de plaats van Israël, ook zijn consequenties heeft voor de hermeneutiek, de uitleg van het Oude Testament. En van joodse geschriften, zoals de Talmoed valt dan zeker niets meer te leren. Aalders spreekt zelfs van de dictatuur van de Talmoed. ‘Er is geen groter juk dan de Talmoed en zijn letterknechterij’. Door deze opvatting, die ook door anderen wordt gedeeld, is de breuk tussen Israël en de Kerk nog groter geworden.
In zijn boek ‘Geen tittel of Jota vervallen’ merkt prof. dr. A. v.d. Beek terecht op: ‘Als christen uit de heidenen kan ik het Oude Testament alleen interpreteren via het Nieuwe - of beter via Jezus als de Messias. Hij is voor mij de enige weg tot God. Als ik los van Hem het Oude Testament ga lezen, ben ik zelf buitengesloten van de gemeenschap met de God van Abraham, Izak en Jakob. Ik ben geen Jood en participeer in de gemeenschap met Israëls God alleen door de Jood Jezus.’ Toch zouden aan deze opmerking van V.d. Beek willen toevoegen dat het evenzeer waar is dat we het ook kunnen omdraaien: ik kan het Nieuwe Testament alleen interpreteren via het Oude Testament, omdat we alleen weten dat de Jood Jezus in het Nieuwe Testament, de ware Jezus is als Hij voldoet aan de tekening die het Oude Testament van Hem geeft.

De Kerk is vaak voorbij gegaan aan het feit dat, met uitzondering van Lukas, de evangeliën geschreven zijn, dóór Joden, ze allereerst bedoeld waren vóór Joden, het daarin gaat óver Joden, en vooral dat het toevallig ook nog gaat over de Jood, Jezus Christus. Alles speelt zich af binnen de context van de Joodse cultuur, maatschappij, religie, geografie enzovoorts.
W. Pannenberg schrijft: ‘Hermeneutisch geldt vooreerst dat Jezus niet begrepen kan worden zonder de oudtestamentische achtergrond en zonder het Joodse leven in Zijn dagen, Hij valt niet pardoes op aarde neer, maar is geworteld in een geschiedenis en in een cultuur. Slechts in het licht daarvan is Zijn persoon te verstaan. In zijn boek ‘Heilsgeschiedenis van het Jodendom’, zegt W.M.E. Logister: ‘Het optreden en de geschiedenis van Jezus hebben hun betekenis oorspronkelijk in de horizon van de Joodse traditiegeschiedenis; binnen dat geheel is Jezus opgetreden.’

Tot ver in de tweede eeuw bleef de kerk een onderdeel van het Judaïsme. Veel van de organisatiestructuur en de ambten van de vroege Kerk werd overgenomen van de synagogen. Het is dan ook niet vreemd dat wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat er een verband is tussen de wijze van uitleg en toepassing van de Schriften van de eerste christenen, en de manier waarop de rabbijnen de Schriften vertolkten. Een voorbeeld daarvan hebben wij Gal. 4:21-31, de perikoop waarin Paulus parallellen trekt tussen Hagar en Sara, en de berg Sinaï en Jeruzalem. De apostel maakt hier gebruik van een typisch rabbijnse manier van Schriftuitleg.
Trouwens, Paulus maakt in zijn toespraken en brieven voortdurend gebruik van de methoden van uitleg en redeneren zoals die al eeuwenlang onder de rabbijnen werden gehanteerd. Op zich is dat niet zo vreemd. De apostel zegt zelf in Hand. 22:3 dat hij in Tarsen aan de voeten van Gamaliël was onderwezen in de bescheidenste wijze der vaderlijke Wet. Deze Gamaliël, ook wel genoemd Gamaliël I, of Gamaliël de Oudere, was een kleinzoon van de beroemde joodse wetgeleerde Hillel de Oude. Ten tijde van keizer Caligula (37-41) was Gamaliël president van het Sanhedrin, het joodse hooggerechtshof dat rechtsprak in godsdienstige en civiele zaken en als hoogste (door de Romeinen erkende) autoriteit in Judea gold. Het kan niet anders of Paulus moet goed bekend zijn geweest met de rabbijnse hermeneutiek en exegese. Het spreekt dan voor zich dat, wanneer wij hiervan kennis nemen wij Paulus beter gaan verstaan.

We kunnen ons volkomen vinden in wat ds. C. de Boer schrijft: ‘De Kerk heeft eeuwenlang gepoogd Joden te bekeren tot haar Messias Jezus. Maar de bal wordt terug gekaatst. Moet de Kerk zich niet bekeren tot Jezus zoals Hij echt was, een Joodse leraar. Moet de Kerk niet eerst maar weer eens goed gaan luisteren naar wat Jezus’ eigen volk zegt dat Hij is?’.

Ondanks dat Pinchas Lapide nooit kon komen tot de erkentenis dat Jezus was de Messias, zag hij het Nieuwe Testament als een voortzetting van het Oude Testament. En wat hem in Jezus aantrok was dat Jezus, en ik citeer, ‘in de synagogen van Galilea preekte, die op goed rabbijnse wijze met Zijn collega's over godsdienstige kwesties debatteerde en redetwistte, in wie Petrus en de zijnen konden geloven, als verkondiger, als profeet en als begenadigde Gods’.
Prof. Dr. P. Stuhlmacher zegt van Lapide: ‘Ik vind het buitengewoon opmerkelijk, dat Lapide in de vele gespreksronden zijn christelijke tegenspelers tot nu toe nooit heeft opgeroepen de geloofsovertuiging die voor het christelijke geloof van richtinggevende betekenis is, te verloochenen. Hij heeft zijn christelijke gesprekspartner eerder geleerd op basis van de oudtestamentische joodse traditie het eigene opnieuw en beter te verstaan en op dat punt tegelijk vragen van een Jood aan de christenen geformuleerd, waarnaar wij moeten luisteren’.

Lapide, die onder andere nota bene hoogleraar Nieuwe Testament was, stelt aan zich zelf de vraag: ‘Wat heeft een gelovige Jood met Jezus en het Nieuwe Testament uit te staan? Hoe komt iemand, die niet het christelijke geloof belijdt, er toe de Bijbelse kanon te kiezen als zijn terrein van onderzoek?’ Lapide beantwoordt die vraag met wat hij noemt 'een zesvoudige verbondenheid die hij als Jood met de Jood Jezus voelt'. Hij noemt dan het land, met zaken zoals geografie, topografie, flora, fauna, klimaat enz; de taal; het verstaan van het Oude Testament als de leer van God; de oosterse fantasie, die spreekt in beelden en gelijkenissen; de zorg om Israël en het ongezegde, Jezus hoefde veel niet te zeggen, omdat het Joods geestesgoed was, waarmee Hij en al Zijn hoorders volledig vertrouwd waren.’ Lapide voegt er nog aan toe: ‘waardoor hij (Jezus) mij wellicht in veel opzichten nader staat dan christelijke theologen in Europa en Amerika.’

Wanneer wij een land bezoeken kunnen wij beter een gids nemen die in het land geboren en getogen is. Het is dan ook onbegrijpelijk en een groot gebrek dat in bijna alle theologische opleidingen het vak Judaïca, en dan vooral het rabbijnse Jodendom ontbreekt, of slechts beperkt gedoceerd wordt.

De bekende auteur Karen Armstrong stond aanvankelijk negatief tegenover het jodendom en het christendom. Na een diepgaand onderzoek moest zij vaststellen: ‘Naarmate ik meer las over de joodse godsdienst in de eerste eeuw, werd Jezus voor mij joodser en joodser’.

Na deze algemene inleiding over ons onderwerp, namelijk: de Joodse achtergrond van de Evangeliebeschrijvingen, willen wij stil staan bij de bronnen die voor ons onderwerp van belang zijn.
De eerste bron van kennis is dan het Oude Testament, of wat bij de Joden de gebruikelijke benaming is de Tenach. In het Nieuwe Testament wordt voortdurend teruggegrepen naar, of gerefereerd aan het Oude Testament, en wel 452 maal, om precies te zijn. Dit maakt duidelijk dat het Nieuwe Testament is verankerd in het Oude Testament, en dus in het Jodendom in de breedste zin van het woord. Nauwkeurige bestudering van de Schriftplaatsen uit het Oude Testament, werpt soms een verhelderend of zelfs een nieuw licht of Schriftgedeelten in het Nieuwe Testament. Die we niet zouden ontdekken wanneer we niet zouden letten in welk verband deze Schriftplaatsen in het Oude Testament worden gebruikt.
Een andere bron van kennis is de taal waarin het Oude Testament is geschreven, het Hebreeuws. Nu is het een opmerkelijk feit dat hoewel de Evangeliebeschrijvingen door en voor Joden geschreven zijn, het toch niet in de oorspronkelijke taal van de Joden, het Hebreeuws, is geschreven, maar in een taal van één van de volken, namelijk Grieks. Er werden in de dagen van de Heere Jezus drie talen gesproken. Aan de reden hiervan gaan we nu maar even voorbij. De gangbare voertaal was vanouds Hebreeuws. Maar sinds Israël uit ballingschap was teruggekeerd, bleven de meesten de taal spreken die men in Babel had geleerd, namelijk het Aramees. De derde taal die in Israël gesproken werd in begin van onze jaartelling was het Grieks. Dit was in die tijd een soort wereldtaal, die door verschillende volken in het Middellandse Zee gebied werd gesproken. Veel joden die in de diaspora woonden kenden niet hun moedertaal, Hebreeuws, maar spraken Grieks. Dit leidde er toe dat er zelfs een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel ontstond, de zogenaamde Septuaginta. Dat verklaart tegelijk het volgende. Wij zeiden zo-even dat in het Nieuwe Testament met vrij grote regelmaat Schriftplaatsen uit het Oude Testament worden geciteerd. Het zal niemand zijn ontgaan dat, als je de geciteerde teksten vergelijkt met de oorspronkelijke teksten in het Oude Testament, deze nog weleens in andere bewoording wordt weergegeven. Dit heeft te maken met het feit dat de evangelisten en apostelen bijna altijd
uit de Septuaginta citeren, of soms zelfs een eigen vertaling van de Hebreeuws tekst hebben gemaakt.
Het is een goed reformatorische uitgangspunt dat er niets aan de Schrift mag worden toegevoegd of afgedaan, noch mag worden veranderd. En dat we tegelijk er van uit mogen gaan dat al de Schrift, tot op de tittel en jota, van God is ingegeven; dus ook de, misschien in onze ogen, afwijkende vertaling van de teksten. Nu zou het voor de hand liggen dat we de Griekse vertaling van het Oude Testament weer terugvertalen naar het Hebreeuws. Maar dan blijkt dat we dan niet altijd de oorspronkelijke tekst van het Oude Testament terug krijgen. Regelmatig gebruiken de evangelisten of apostelen een ander Grieks woord. Zij schijnen de vertaling niet te hebben gezien als een proces van mechanisch gebruiken van equivalenten. De gedachte die ligt uitgedrukt in de context, in plaats van een het juiste Hebreeuwse woord, heeft naar het lijkt de vertalers beïnvloed bij hun keuze van vertaling. Bijvoorbeeld de tekst: ‘daarom wilde de HEERE niet vergeven (2 Kon. 24:4b), wordt vertaald met: ‘daarom wilde de HEERE niet verzoenen’.
In zijn boek ‘Jezus Christus tussen joden en christenen’, noemt J. Vlaardingerbroek het vanuit het Grieks terugvertalen naar het Aramees die de oorspronkelijke bedoeling weergeven ‘een nogal gewaagde wijze van werken’. Vlaardingerbroek erkent dat bij de uitleg van de Griekse tekst van het Nieuwe Testament rekening moet worden gehouden met de Semitische achtergrond en coloriet. Maar de eigenlijke basis is de Griekse tekst; dit is de vorm waarin wij deze boeken bezitten. Het zeggen dat de evangelisten in vele gevallen het oorspronkelijke Aramees niet goed hebben begrepen, noemt Vlaardingerbroek gewaagd: ‘Mattheüs en Markus hebben even goed Aramees gesproken als Jezus. Het is moeilijk te ontkomen aan de indruk, dat we hier met een vooropgezet idee te doen hebben’.

Ik geef toe dat het voor een gemeentelid moeilijk is zich hiermee bezig te houden, maar voor de predikant ligt de moeilijke, maar schone taak voor de gemeente de schatten van de Schrift, en dus van de woorden van de Schrift, op te delven. En zich te verdiepen in de filologie van het Hebreeuws en het Grieks. Dat wil zeggen door zorgvuldige studie van context en oorsprong van woorden de zin en betekenis aan taaluitingen te geven.
Van de vele voorbeelden die we zouden kunnen noemen, nemen we er slechts één.
In Mat. 28:1 is sprake van 'laat na de sabbat, als het begon te lichten tegen de eerste dag der week'. Letterlijk vertaald vanuit het Grieks staat er: 'laat maar op (de) sabbat, op het licht wordende (uur) tegen (dag) één van (de) week’. ‘Laat sabbat’ is een Griekse vorm van een Hebreeuwse uitdrukking die betekent: 'na de opwinding van sabbat', dat betekent het uur onmiddellijk na het einde van de sabbat. Het kan ook betekenen ‘laat in de sabbat’. En de woorden ‘tegen de eerste dag der week’, is parallel met ‘laat na de sabbat’.
De raadselachtige uitdrukking:’op het licht wordende (uur) tegen (dag) één van (de) week’, is afgeleid van een Hebreeuws idioom dat betekent 'licht tot (dag) één van de week'. Het Hebreeuwse woord sjabbat betekent letterlijk ‘ophouden met werken’, ‘de arbeid staken', maar kan ook betekenen 'zaterdag', òf 'week'. Verder kan het Hebreeuws woord voor licht, 'or', verassend genoeg ook betekenen 'nacht'. Wanneer een Jood het idioom 'lichten' gebruikt, denkt hij niet aan licht in letterlijke zin. De Jood dacht dan aan die uren van donkerheid die vooraf gingen aan de komende dag.

Een andere bron bij de bestudering van de Joodse achtergrond van de Evangeliebeschrijvingen is het volgende. En tegelijk scheiden op dat punt de joodse met de christelijke opvatting.
De kern, en voornaamste deel van de Tenach bestaat voor de joden uit de eerste vijf boeken van de Bijbel, ook wel Tora genoemd. In de rabbijnse opvatting is de Tora rechtstreeks uit de hemel afkomstig. De Kerk geloofd dat de schriftelijke openbaring van God, zoals vast gelegd in het Oude en Nieuwe Testament, is voltooid en afgesloten. Maar de joden onderscheiden de Tora in de Torah sje-bichtav of Schriftelijke Tora, en de Torah sje-be’al pe of Mondelinge Tora, die een toelichting geeft op de Schriftelijke Tora. Men gelooft namelijk dat God, nadat Hij aan Mozes de Tora schriftelijk had laten vastleggen, hem daarna ook een mondelinge toelichting heeft gegeven. Mozes heeft dit weer doorgegeven aan Jozua, en vervolgens is het zo eeuwenlang verder doorgegeven. In de loop ontstonden er steeds meer toelichtingen en toepassingen op de schriftelijke Tora, en ontstond zodoende de Mondelinge Tora, die de naam Misjna draagt. Misjna komt van het werkwoord sjana wat ‘repeteren’, ‘herhalen’, betekent. Misjna betekent dat ‘wat wordt onderwezen’. Naarmate de eredienst voor God en het maatschappelijke leven ingewikkelder werden, ontstond de noodzaak de Misjna op te schrijven, opdat niets uit de overlevering verloren zou gaan. Tussen 150 vóór C. en 200 nà C. hebben de Tannaïm (wijzen, schriftgeleerden) de Misjna opgeschreven. De Misjna is een verzamelwerk met standpunten discussies en besluiten van rabbijnse geleerden.
De Misjna is samengesteld uit zes delen, die in het Hebreeuws seder (meervoud sedariem) worden genoemd. Ieder deel is onderverdeeld 63 traktaten. Elk traktaat is weer onderverdeeld in hoofdstukken, in totaal 525 hoofdstukken en elk hoofdstuk in paragrafen. Hiervan zijn er 4187. De indeling en rangschikking van alle genoemde boeken is niet altijd erg systematisch gedaan. De inhoud van sommige hoofdstukken sluit niet steeds aan bij het onderwerp van het traktaat, waarbij ze behandeld worden. Een grote diversiteit van onderwerpen komen in de Misjna ter sprake, zoals onder andere ethische regels voor het leven van alle dag, de eredienst en jurisprudentie over allerlei kwesties.

De Misjna is soms zeer beknopt en daarom vaak moeilijk te begrijpen. Verder was de politieke en economische situatie van de Joden aan voortdurende verandering onderhevig, daardoor waren ook weer nieuwe wetten en verordeningen en aanpassingen nodig.
Het kon niet uitblijven dat de leerlingen vragen gingen stellen over de uitleg aan hun leraren. In de synagogen en de academies ontstonden discussies en verkorte weergaven daarvan werden opgetekend en Gemara genoemd, die uit het hoofd werd geleerd. De Gemara is een commentaar en aanvulling op de Misjna. Gemara betekent ‘leren', 'studie’. Het werkwoord gamar betekent in het modern Hebreeuws: beëindigen, ophouden, completeren. Men zou de Gemara kunnen vergelijken met uitvoerige notulen van een wetenschappelijke vergadering. Uit eindelijk werden de Misjna en de Gemara samengevoegd tot wat genoemd werd de Talmoed. Het woord Talmoed heeft dezelfde medeklinkers als het woord voor 'leerling'. Beide woorden stammen af van het werkwoord lamad dat ‘leren’ betekent.

De Mondelinge Tora bestaat eigenlijk uit twee delen. De Halacha, wat betekent ‘gaan’ ‘volgen’, ‘wandelen’, ‘de weg die men gaan moet’, geeft praktische regels hoe de Tora kan worden toegepast in het religieuze en het niet-religieuze leven. Daarnaast is er de Agada, ‘de verhalen’, die bestaat uit spreuken, mystieke vertellingen, visioenen, volksverhalen, kern, poëzie, en geschiedbeschrijving. Deze vorm van uitleg werd ook wel genoemd de Midrasj (onderzoeken, uitleggen, verklaren).
De invloed van de Talmoed op het Joodse volk is niet te berekenen. Eeuwenlang staat bij de religieuze jood onderwijs uit de Talmoed centraal in het leven. Het bestuderen van de Talmoed, zowel persoonlijk als door middel van debat en discussie met anderen is iets waar men zijn hele leven mee bezig is, het wordt dan ook wel een ‘levensdiscipline’ genoemd. Historisch gezien is de Talmoed nu afgesloten, en komt er niets meer bij, maar wat betreft het bestuderen ervan is, zoals een Joodse geleerde zegt, ‘de Talmoed nooit afgesloten'.
Het unieke in dit gehele proces is dat het gekenmerkt wordt door de afwezigheid van het moeten maken van een keuze in de zin van: goed of niet goed, waar of niet waar. Er wordt getracht om tegenstellingen bij elkaar te brengen, maar als dat niet lukt, en dat is meestal het geval, blijven de verschillende meningen gewoon naast elkaar bestaan. De waarheid is complex en vaak zijn er meerdere interpretaties mogelijk. Een gezegde luidt: waar twee Joden zijn, daar zijn drie meningen. En het opmerkelijke is dat dit geen problemen of verwijdering tussen de partijen geeft.
Ondanks dat er in de Talmoed veel dingen staan die we naast ons neer kunnen leggen, bevat ze toch een schat van kennis, waar de Kerk haar winst mee kan doen, en soms
een verrassend licht werpen over bepaalde dingen in de Evangeliën. Om slechts een klein voorbeeld te noemen. Als Jezus te Bethlehem geboren is, zijn het herders die in die omgeving waken bij hun kudde, aan wie als eerste de blijde boodschap wordt verkondigd.
Volgens de Talmoed mochten er in de omgeving van dorpen en steden geen kudde vee worden gehouden. Dat mocht alleen in dun bevolkte gebieden. Volgens de Talmoed was er een uitzondering voor Bethlehem, daar werden in de omgeving dieren gefokt en geweid die bestemd waren voor de offerdienst in de tempel. De herders in de velden van Efratha mogen nu als eerste horen dat het ware Offer geboren is.

Behalve de Talmoed kent de rabbijnse literatuur nog andere bronnen. Zoals de Midrasjiem (enkelvoud Midrasj), dat betekent ‘uitleg’, ‘onderzoek’, waarin verschillende boeken van de Tenach worden uitgelegd. En zijn er de Targoem, wat betekent ‘uitleggen’, ‘interpreteren’, die een parafraserende en verklarende vertaling van afzonderlijke Bijbelboeken in de Aramese taal zijn.
Veel discussies tussen Jezus en de Joodse geestelijkheid liepen over geschil van interpretatie van de Tenach, waarbij laatstgenoemden vaak de regels van exegese hanteerden zoals we die in bovengenoemde rabbijnse bronnen tegenkomen. De Heere Jezus moet met deze manier van interpretatie bekend zijn geweest. Trouwens, Hij maakte daarvan soms zelf ook gebruik van. Bijvoorbeeld in Markus 12: 18-27 voert Jezus met de Sadduceeën een gesprek over de opstanding. Hij haalt daarbij het woord van God tot Mozes uit Ex. 3:6 aan en gebruikt dit als argument vóór de opstanding uit de doden. Zuiver exegetisch gesproken is dit woord alleen Gods verwijzing naar het leven van de aartsvaders. In de tekst als zodanig is er geen sprake van de opstanding. Maar deze vorm van Schriftuitleg is volgens de Joodse manier van exegese legitiem.

Als laatste bron van onderzoek bij de Joodse achtergrond van de Evangeliebeschrijvingen zijn nog te noemen de zogeheten Dode Zee rollen. Deze geschriften worden zo genoemd omdat tussen 1947 en 1956 in de buurt van Qumran, in 11 verschillende grotten een dozijn oude boekrollen en honderdduizenden fragmenten gevonden werden, die samen een bibliotheek van meer dan 800 documenten hebben gevormd. Uit onderzoek is gebleken dat daar rond het begin van onze jaartelling de zogeheten Essenen hebben gewoond. Zij vormden hoogstwaarschijnlijk een religieuze gemeenschap, waar alleen mannen woonden. De inrichting van hun gemeenschap had een kloosterachtige vorm. Om toe treden tot de Essenen moest men in celibaat leven en zich nauwgezet houden aan cultische reinigingswetten.
Onder de gevonden rollen waren grote gedeelten van boeken uit het Oude Testament, zoals Jesaja. Daarnaast bevatten de rollen geschriften die informatie gaven over de sekte en hun leer.

De Joodse historici Philo en Josephus beschrijven de Essenen uitvoerig en bewonderend. Het is dan opvallend dat de Essenen niet, of (naar ons oordeel) alleen indirect worden genoemd in de Nieuwe Testament en in de rabbijnse literatuur. Wat nu zo opmerkelijk is, dat er, ondanks soms diepgaande verschillen, er ook veel overeenkomsten zijn in de leer die Jezus predikte, en die de Essenen aanhingen. Zo komen we in de Qumranrollen namen en gebeurtenissen tegen, die (eventueel) van toepassing zouden kunnen zijn op Jezus. Zo komen we regelmatig in de geschriften van de Essenen de titel Leraar der gerechtigheid tegen. Zowel in het jodendom als in het christendom is één van de titels van de Messias ‘Zoon van God’. In de Qumranteksten komen we ook naam ‘zoon van God’ tegen, bij voorbeeld: ‘…Hij zal groot zijn op aarde….van de grote zal hij worden genoemd…..Hij zal de zoon van God genoemd worden. En zij zullen hem zoon van de hoogste noemen’ (4 Q 246). Frappant is de overeenkomst met Luk. 1:32: ‘Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden.’
Ook zijn er Qumranteksten die verassend nauwkeurig aansluiten bij het beeld dat zowel het Oude Testament (Jes. 35:5-6) als het Nieuwe Testament (Mat. 11:2-5; Luk. 4:18-19) geeft van de Messiaanse tijd. ‘Hemel en aarde zullen zijn Messias gehoorzamen….hij zal de gevangenen vrijlaten, de blinde ziende maken en de ter aarde geworpenen oprichten. Dan zal hij de zieken genezen en de doden levend maken en aan de armen de blijde boodschap verkondigen’ (4 Q 521).
Anderen referenties met het Oude Testament zijn bij voorbeeld: ‘De Heilige Geest daalde neer op zijn Messias’ 4 Q 287 3.13). En: ‘….en boven de armen en ootmoedigen zal zijn Geest zweven en de gelovigen zullen door zijn kracht gesterkt worden’ (4 Q 521). En: ‘…zult gij de goddelozen doden met de Geest van de raad en met eeuwig kracht, met de Geest der kennis en vreze Gods’ (1 QSb 5.25). Wij beluisteren in deze passages zinspelingen op Jes. 11:2-4. In de Qumranrol 11 Q Melch wordt Jes. 52:7 geciteerd: ‘Hoe liefelijk zijn ….de voeten desgenen die het goede boodschapt’. Deze tekst wordt op de ‘gezalfde van de Geest’ toegepast: ‘En die de goede boodschap brengt, dat is de gezalfde van de Geest…om te troosten…en hij zal hen onderrichten.’
Wij hebben grote twijfels over de vraag of men ook daadwerkelijk op Jezus heeft gedoeld. Er zijn ook andere teksten in de Qumranrollen die deze opvatting weerleggen, maar opmerkelijk blijft het wel. In ons onderzoek naar de achtergrond van de Evangeliebeschrijving kunnen deze geschriften ons zeker van nut zijn. En kunnen ze ons verdiepen in het kennen en verstaan van het Evangelie. De tijd ontbreekt is om dit verder uit te werken.

Tenslotte willen wij aan de hand van enkele voorbeelden ons onderwerp nog wat toelichten. We zouden ettelijke tientallen voorbeelden kunnen noemen, maar we beperken ons tot slechts paar voorbeelden.

In Bergrede lezen wij in Mat. 7:2: ‘Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u weder gemeten worden.’ Hier heeft Jezus het over één van de meest belangrijke rabbijnse principes, het concept van middah ke-neged middah, ‘maat voor maat’. Talloze rabbijnse passages beklemtonen deze stelregel van ‘dit voor dat’, waarmee de goddelijke regel van beloning en straf werd benadrukt. De Talmoed zegt: ‘al de maten van straf en beloning, die bepaald zijn door de Heilige, gezegend zij Hij, zijn in overeenstemming met het principe van maat voor maat’(Misjna Sanhedrin 90a) De bekende Hillel zei: ‘Oordeel niet uw naaste totdat u zich stelt in zijn plaats’ (Misjna Avot 2.5). Ook de Apocriefe geschriften leren dit concept: ‘Naar hetgeen een mens zondigt, daarnaar zal hij gestraft worden’ (Wijsheid van Salomo 1:16).
Wanneer Jezus de idee van ‘maat voor maat’ benadrukt, doet Hij dat in de context van het oordeel. Hiermee bedoelt Hij te zeggen: ‘Oordeel andere mensen niet, omdat u op de zelfde manier zult geoordeeld worden waarmee u hem verdoemt.’

Een ander mooi voorbeeld van het Joodse idioom in het Evangelie, vinden we in Mat. 9:20-21. Wij lezen daar de geschiedenis, die gaat over wat heet de bloedvloeiende vrouw.
Zij lijdt aan een chronische bloeding waardoor zij volgens de Tora onrein werd beschouwd.
Daarom mocht zij eigenlijk niet onder de mensen komen. In plaats dan met Jezus persoonlijk te spreken, en daarbij het risico te lopen een confrontatie aan te moeten gaan met de schare, hoopte ze als het ware anoniem genezen te worden. Ze neemt dan het besluit om, weliswaar van achteren, naar Jezus te gaan, en zegt bij zichzelf: ‘Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden.’
Als u wel eens een preek of Bijbelstudie over dit Schriftgedeelte hebt gehoord, is het u misschien opgevallen hoe men zich in verschillende bochten moet wringen om een enigszins sluitende verklaring te geven van de handelwijze van deze vrouw, die bovendien door Jezus een geloofsdaad wordt genoemd. Zij spreekt dus over de zoom van zijn kleding die zij wil aanraken, wat zij ook doet. Deze aanraking is niet een magische handeling, maar zijn eerder een symbolisch gebaar van het contact maken. Niet alleen met Jezus Zelf, maar ook, door Hem, met God, voor Wie Jezus in gehoorzaamheid de tailliet, het gebedskleed met kwastjes, droeg.
Vanuit het Hebreeuwse denken is dat een belangrijk detail. De NBG vertaling van 1951 spreekt hier, net als de Engelse vertaling over de 'kwast' van zijn kleed, dit komt meer overeen met het Griekse woord kraspedon, wat zoveel wil zeggen als 'een kwastje gevlochten wol'.
In de dagen van Jezus droegen de mannen, zowel thuis als tijdens het werk, een eenvoudige tuniek challoek genaamd. Wanneer men in het openbaar verscheen droeg men een lang rechthoekig kledingstuk dat tot aan de enkels reikte. Dit kledingstuk werd tailliet genoemd en diende als bescherming tegen regen en kou. Aan de vier hoeken van de tailliet waren tsietsiet, dat waren vier koorden met kleine kwastjes, bevestigd; één van die draden was blauw. Verder ging men de tailliet ook gebruiken als gebedsmantel die men omdeed als men bad, als zodanig wordt zij nog steeds door de gelovige Jood gebruikt. De kwastjes en de blauwe draad waren tekenen van de Tora.
In de loop van de tijd, en vooral in tijden van vervolging werd het de Joden vaak verboden de tsietsiet zichtbaar te dragen, en ging men een kleine tailliet onder het overhemd dragen.
Wat nu de bloedvloeiende vrouw deed was de kwastjes van Jezus' tailliet aan te raken. De vraag is vanzelf, waarom deed zij dat? Voor we op die vraag ingaan moeten wij eerst iets zeggen van die kwastjes. De gewoonte kwastjes, ook wel genoemd snoertjes, te dragen aan de hoeken van hun kleding gaat terug op een gebod in Num. 15: 37-41 en Deut. 22:12. Met het dragen van de tailliet wilde de jood zijn toewijding aan God en zijn trouw aan de Tora uitdrukken.
In Num. 15:38 is het woord dat vertaald is met 'rand' of 'snoer' in het Hebreeuws het woord kanaaf dat ook vertaald kan worden met 'vleugel', zoals op verschillende Schriftplaatsen in Bijbelvertalingen is gedaan. Iedere tsietsiet bestaat uit vijf dubbele knopen en acht draden, wat een totaal van dertien eenheden maakt. Elke Hebreeuwse letter een getalswaarde. Als men de getalswaarde (gematria) van het woord tsietsiet optelt, komt men op een totaal van zeshonderd. Dertien en zeshonderd zijn samen 613, precies het aantal ge- en verboden van de Tora volgens rabbijnse opvatting. Tijdens het gebed is men dus symbolisch in de Tora gehuld.
Nogmaals, waarom raakte de zieke vrouw nu juist deze kwastjes aan? Nu waren er in de eerste eeuw verschillende tradities die de tsietsiet associeerden met de Messias. Volgens één daarvan zouden deze kwastjes genezende kracht bezitten. Volgens een andere opvatting diende de tsietsiet als een soort talisman of amulet. Waarschijnlijk hebben deze tradities hun oorsprong in de profetie van Mal. 4:2 waar van de Messias gezegd wordt dat Hij zal opgaan als de Zon der gerechtigheid, en zal komen ‘met genezing onder Zijn vleugels’. Het is niet uit te sluiten dat de bloedvloeiende vrouw deze tradities kende, maar in ieder geval zal zij zeker op de hoogste zijn geweest met de profetie van Maleachi. Wanneer wij weten dat hetzelfde woord dat gebruikt wordt in Num. 15:38 voor 'hoek', in Mal. 4:2 wordt gebruikt voor 'vleugel' geeft dat hoogstwaarschijnlijk de verklaring van het feit dat zij de hoeken, kwastjes (vleugels) van de gebedsmantel van Jezus wilde aanraken. Tevens geeft dat de verklaring van de reden waarom deze vrouw genezen werd, en Jezus zegt dat haar geloof haar behouden of genezen heeft. Zij gaf uiting aan haar geloof in Jezus als de Zon der gerechtigheid met genezing onder Zijn vleugels en aan haar geloof in het profetische Woord van God.

Een bekende tekst, die in de strijd tussen Roomse Katholieke Kerk en de reformatie nogal voor discussies heeft gezorgd is Mat. 16:19: ‘En Ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.’ De moeilijkheid zit voor ons in de woorden 'binden' en 'ontbinden', voor de Jood was de bedoeling gelijk volkomen duidelijk. ‘Binden en ontbinden’. asar hittir, waren rabbijnse termen, die zoveel wilden zeggen als verbieden of verhinderen, en toestaan of toelaten. Er zijn talloze voorbeelden hiervan in de rabbijnse literatuur.
In de Jodendom hadden deze woorden te maken met een legale taakoverdracht. Tijdens de dagen van Jezus werden deze antoniemen, of twee woorden met een tegengestelde betekenis,
toegepast om bepaalde godsdienstige beslissingen te duiden.
Om dit te kunnen begrijpen moeten we weten dat van de rabbijnen in de eerste eeuw voortdurend werd gevraagd om de geboden in de Schriften te interpreteren. Bijvoorbeeld, de Decaloog verbiedt het verrichten van arbeid op sjabbat maar specificeert niet welke activiteiten onder de noemer arbeid vallen. Als resultaat daarvan bepaalden rabbijnen wat wel en wat niet was toegestaan op sjabbat. Zij 'bonden' of verboden bepaalde activiteiten en 'ontbonden' of gaven toestemming voor andere activiteiten. Aan Petrus werden 'de sleutels', ofwel het gezag, gegeven om betreffende vragen over de Schriften in de vroege Kerk, te binden en te ontbinden. Een voorbeeld hiervan zien we in Handelingen 15 bij het verschil van inzicht, of niet-Joden wel of niet welkom waren binnen de gemeenschap zonder eerst besneden te zijn. Nadat de apostelen en oudsten in Jeruzalem hadden vergaderd toonde Petrus een voorbeeld van 'ontbinden' toen hij besloot dat zowel Joden als niet-Joden waren gered door het geloof, omdat de besnijdenis niet meer dan een deel was van het Joodse verbond (Hand. 15:9). Daarna gaf Jakobus, de pastor van de Kerk in Jeruzalem een voorbeeld van 'binden' toen hij de niet-Joden vroeg zich te onthouden van vier karakteristieke heidense praktijken (Hand. 15: 13-20).
In verband met het gebruik van het idioom ‘binden en ontbinden’ maakt W.D. Davies de opmerking dat Jezus in ‘de discussies met Zijn opponenten zoals Schriftgeleerden, Zich levend bewust moet zijn geweest van hun methoden van discussiëren, of zelfs er kennis van hebben gehad’.

Regelmatig komen we in de woorden van Jezus niet alleen het joodse gedachtegoed tegen, maar gebruikt Hij meer dan eens zelfs letterlijk dezelfde bewoording. Zoals in Mat. 18:21-22, we lezen daar: ‘Toen kwam Petrus tot Hem en zeide: Heere, hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zevenmaal? Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zevenmaal.’ Hoe Joods’ Jezus’ antwoord is blijkt uit het volgende. Volgens de Talmoed had het Sanhedrin de bevoegdheid om een doodvonnis uit te spreken. Nu stond vergevingsgezindheid bij de Joden hoog in het vaandel, dat blijkt onder andere ook uit het zeggen in de Talmoed dat ‘een Sanhedrin dat één keer in de zeven jaar zo’n doodvonnis uitspreekt verderfbrengend’ wordt genoemd. Ja, sterker nog: ‘rabbi Eliëzer, zoon van Azarja, zegt: één keer in de zeventig jaar’ en ‘rabbi Tarphon en rabbi Akiva zeggen: ‘als wij in het Sanhedrin waren, dan zou er nooit een mens ter dood worden gebracht’ (Misjna Makkot 1.10).

Tenslotte nog het begrip Wet. Hierover is veel misverstand. Het woord wet roep vaak een misverstand op.
De verkeerde visie die men heeft op de Tora komt door de Griekse-Westerse manier van denken waar alles op de mens is gericht. In het joodse denken gaat maar om één ding, en dat is Gods plan, zoals Hij dat in Zijn Tora openbaard heeft. Dat plan behelst een opdracht aan de mens. De mens moet die wil, die opdracht kennen. Tot in de geringste details moet hij weten wat God bedoelt, zodat de mens zich met heel zijn hart, heel zijn ziel en alles wat hij kan in dienst van dat plan kan stellen.
Veel mensen krijgen bij het horen van woord ’wet’ een gevoel van verzet. Het gevolg is dat voor velen de Wet zoals die aan Israël gegeven is, nu die door Christus is vervuld, geen zeggingskracht heeft en dus verleden tijd is.
In het verkeerd interpreteren van het begrip ‘wet’ hebben we hier een voorbeeld van de misverstanden die er ontstaan, wanneer men de oorspronkelijke Hebreeuwse notie van een woord niet meer verstaat. Men ziet niet dat het begrip ‘wet’ ook een positieve kant heeft, die verbonden is met de idee van bescherming van de mens, van het kind, van het huwelijk, de gemeenschap en het individu. De Tora is niet een legalistisch systeem. Het gaat in de Tora om iets wat besloten ligt in Gods liefde voor mensen (Misjna Sotah 14a). Er is zelfs geen hoger goed te bedenken als de Tora. Het kostbaarste en dierbaarste, dat God aan mensen geven kan, geeft Hij in de Tora (Misjna Sabbat 88b, 89a. God geeft daarmee maar niet iets maar geeft Zichzelf met deze gave (Sjemot Midrasj Rabbah XXXIII 6).
De kern van de Tora is samen te vatten in het woord kadosj, ‘heilig’. In negatieve zin betekent het ‘afscheiden van’, in positief opzicht wil het zeggen ‘(toe)wijding aan’. Dat wil concreet zeggen, dat Israël geroepen is zich te onthouden van alles wat in strijd is met de wil van God, en men zich geheel wijdt aan de dienst van God.

Veel misverstaan over het begrip wet is ontstaan door de Griekse vertaling van het Hebreeuwse woord Tora. De Grieken kenden slechts een enkel woord voor wet, namelijk nomos. Deze vertaling is eigenlijk fout, of, ten minste onvolledig. Lapide noemt het woordje nomos een absurde karikatuur. Het woord nomos dekt alleen maar één aspect van de verschillende, die het Hebreeuwse woord Tora heeft. In het Grieks, heeft het woord nomos meestal een negatieve bijsmaak, dit geheel in tegenstelling tot het positieve beeld dat door het Hebreeuwse woord Tora wordt gegeven. Het woord nomos was niet toereikend om de diepgang en onderscheiden betekenissen van het joodse begrip van Tora te vatten, dat veel meer betekent dan wat met het woord 'wet' wordt aangeduid.
Het woord Tora hangt samen met een werkwoord dat een veelzijdige betekenis heeft, zoals: 'levensonderricht', ‘leer’, ‘instructie’, ‘leiding’, 'wegwijzering', 'richtinggevend woord'. Het geeft verwantschap met het Hebreeuwse werkwoord ‘zien’ en ‘laten zien’. Tora wil dus zoveel zeggen als ‘openbaring’, ‘onderwijzen’, ‘onderricht’, ‘leer’.

De Jood ziet zijn dagelijks geloofsleven als een reis of pelgrimage, met als doel het leven. De diepste bedoeling van de Tora is volgens Paulus om ‘ten leven’ te leiden (Rom. 7:10). Leven is, zoals van Henoch en Noach staat ‘wandelen met God’ (Gen. 5:24; 6:9). God kennen betekent dagelijks aan God ter beschikking staan en in een nauwe gemeenschap met Hem wandelen, langs de levensweg die Hij aanwijst in Zijn Tora. Regelmatig komen we in de Schrift dan ook uitdrukkingen tegen als ‘weg’. Het is opvallend dat in het boek Handelingen, de beweging van de eerste christenen werd aangeduid als ‘de weg’.

Daarmee wilde men aangeven, dat de godsdienstige wetten en regels bedoeld waren om de mens op de rechte levensweg te houden. Zij waren als een plattegrond waarop het begin en het eindpunt van de levensreis op aangegeven staat. Wanneer men van Gods pad afdwaalt en gaat in kromme en zondige wegen, dan doet men Gods Tora geweld aan en moet men ‘terugkeren’. Het Hebreeuwse woord voor bekering is tesjoeva, dat de gedachte suggereert van ‘omkeren, ‘teruggaan’. Bekering is weer hersteld te worden tot Gods bedoeling met de mens, toen Hij hem recht schiep.
Hoe uitgebreid de betekenis van het begrip Tora is kunnen we zien in Psalm 119, in elk vers wordt weer een andere term gebruikt waarmee de verschillende aspecten van de Tora worden uitgedrukt.

Door de onduidelijke vertaling van het woord Tora, wordt dus tekort gedaan aan de oorspronkelijke betekenis. Het kreeg een legalistische, wettische klank. Op grond van het verkeerd verstaan van het woord is ook een verkeerd beeld van het Jodendom ontstaan. Alsof men daarin geleid zou worden door een sterke prestatiedrang, waar een staat van baten en lasten tussen God en mens de verhouding tussen beiden zou bepalen. Pinchas Lapide noemt dit een absurde karikatuur. Lapide zegt dat de Tora voor de rabbijnen nooit een heilsweg tot God geweest.
Nergens is in de rabbijnse literatuur te vinden dat de mens door de vervulling van de geboden het heil kan verkrijgen. Steeds wordt de Tora geplaatst binnen de lichtkring van het heilsverbond dat God onvoorwaardelijk met geheel Israël gesloten heeft. De trouw aan de Tora rust enkel alleen op emuna, dat is het zonder vragen vertrouwen op God, dat tot handelen voor God oproept. Kortom, voor de Jood berust het heil niet op de wetsvervulling.

Er bestaat voor de Jood beslist geen tegenstelling tussen Tora (wet) en Evangelie (genade). In het christendom wordt de wet vaak voor gesteld als iets bedreigends, alzo niet voor de Jood. Voor de joden is de Tora een genadegave, die voortvloeit uit de liefde van God. De Tora ís het Evangelie. Lapide zegt: ‘Voor alle meesters in de Talmoed was het vanzelfsprekend, dat het heil of het aandeel aan de komende wereld, zoals het in het Hebreeuws gezegd wordt, enkel en alleen door Gods genadige liefde te bereiken is.’
Het is veelzeggend dat op de Grote Verzoendag in de synagoge onder andere het boek Jona wordt gelezen. God toont Zijn barmhartigheid aan het godloze Ninevé. Zo zal God de zondaar genadig zijn die zich zelf schuldig kent. En elke dag slaat de Jood zijn talliet (gebedskleed) om hem heen, waaronder hij geheel schuil gaat. Ze is een symbool van de trouw en rechtvaardigheid van God waarmee God de mens omhult die bij Hem schuilt. Zo drukt men daarmee uit dat men geheel ingedoopt wordt in de tegenwoordigheid van God. Zoals David zegt: 'Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid; o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen' (Ps. 36:8).

Hoewel er nog zeer veel te zeggen zou zijn, willen we afsluiten. Wij hopen dat enigszins uw belangstelling gewekt is om nader onderzoek te doen naar wat de joodse achtergrond is van de Evangeliebeschrijvingen. En dat het u zo mag brengen tot kennis of nader kennis van Hem, die gezegd heeft: ‘Onderzoek de Schriften, die zijn het die van Mij getuigen.’

Edit