Edit|
EditReeks Samenvatting:
Op school hebben jullie wel eens geboetseerd, of gekleid, jongens en meisjes. In je hoofd heb je een bepaald figuur dat je wilt maken; en soms lukt het helemaal niet. Dan zie je er geen gat meer in, stampt het in elkaar en begint weer helemaal opnieuw. Het gedeelte uit Jeremia heeft hier alles mee te maken.
Door de straten van Jeruzalem loopt een man, 2500 jaar geleden. Jeremia is op afstand te herkennen. Je ziet het aan zijn profetenmantel. Een gordel heeft hij in zijn hand, die vergaan is (Jer 13). Hij wijst erop: volk van Juda, als je zo voort doet zal het je vergaan als deze gordel. Denk aan het rijk van 10 stammen, dat al is weggevoerd. Het oordeel komt, maar als je je bekeert dan is er nog genade.
Dan moet hij naar het huis van de pottenbakker. Jeruzalem ligt hoog, Jeremia moet waarschijnlijk afdalen naar de Schervenpoort. Daar zijn veel scherven opgegraven. Misschien zijn jullie wel eens bij zo'n pottenbakker geweest, het instrumentarium is niet veel veranderd door de tijd. Achter twee tafels zit hij, een op borsthoogte, een bij de vloer. Breng je met je voeten de onderste in beweging, dan draait ook de bovenste. De pottenbakker heeft de figuur in zijn hoofd.
De pottenbakker is ten diepste de Hemelse Pottenbakker. Wij allen zijn het werk van Uw handen. `Mijn gebeente was voor u niet verborgen, Uw ogen hebben toen al mijn ongevormde klomp gezien`. Ons leven geborduurd, geboetseerd door de hemelse pottenbakker. Maar het materiaal is leem! Modder, uit de aarde aards. Dood in de zonde en misdaden.
Maar we worden niet weggeworpen als leem. Jeremia ziet de pottenbakker geen leem wegwerpen, als het niet lukt. Vergelijk vers 7. Maar nee, hij maakte er weer een ander vat van.
In vers 4 echter: Het vat wordt verdorven, net als de gordel. Het volk aanbaden de afgoden. Wat een geduld van de hemelse Pottenbakker! Hij wil ons herscheppen, naar het beeld van Zijn lieve Zoon.
Misschien zegt iemand wel: ik lijk op Juda. Bid dan maar: Heere breek mij eerst af, en wil mij vanaf de grond weer opnieuw opbouwen. Zo'n klomp klei moet eerst zacht worden, goed gekneed. Vingers en nagels erin - dan kan pijnlijk zijn. Om ons harde hart te vermurwen. Steentjes, oneffenheden moeten eruit gehaald, zo hoogmoedig we zijn, tegenwerkend.
Laat mij gewillig zijn onder Uw hand op Uw draaitafel. Maar het beeld van de Zoon, waarna we gevormd worden is wel het beeld van een kruisdrager. Willen we wel een splinter van dat kruis in ons vlees en een balk op onze schouders? Nochtans kunnen we zingen en verblijd zijn in de Heere. `Acht het voor vreugde`.
De hemelse Pottenbakker kan wel een heel werk aan ons hebben. Denk aan Jozef, de weg die hij helemaal moest afleggen. Of ook Saulus van Tarsen. Van een vat ter oneer, een vat ter ere te worden. Moet ik ook dominee of ouderling worden? Nee dat hoeft niet. Je kunt het uitdragen op de werkvloer, op school of in het gezin.
Maar, als de Heere alles in de hand heeft, waarom ben ik dan zo gebutst en beschadigd, waarom ben ik niet gezond, tel ik niet mee; en toch heeft de Heere ons zo gemaakt. De Heere heeft ons in DAT gezin gezet. Door al die gebeurtenissen arbeidt de hemelse Pottenbakker aan ons. Ook de gemeente wordt geboetseerd als bruid.
Wie zijn wij, die God ten verantwoording roepen? Maar zijn we dan een speelbal in Zijn hand? - die vraag past ons niet. We laten het aan de Pottenbakker over. Hij wil niet dat wij verloren gaan.
Hebben wij er het kneden en boetseren van de Pottenbakker voor over? Als we de scherpte wel erg voelen? Wat kunnen we tegen de leiding van de Heere aanhikken! Kijk niet naar die rafelige onderkant, Hij is bezig iets moois van ons te maken. Alle dingen werken mede ten goede.
Mag u en jij geloven dat de hemelse Pottenbakker met u bezig is? Hier in de kerk staan de schijven opgericht en Hij staat met open armen. En Hij roept 'kom maar', er deugt niets van je leven - Ik wil op Mijn draaitafel opnieuw met je beginnen. Bid: als ik nergens op lijk, neem mij dan onderhanden!
En de Heere doet het ook. Maar Zijn geduld heeft ook grenzen. Het kan zijn dat de Pottenbakker het ten laatste wegwerpt (vers 7). Het zal wat zijn iedere zondag het woord gehoord te hebben. Drink, eet, ontvangt, klinkt het.
En toch gaat de Heere na 70 naar Babel, om naar die rest leem om te zien. Hij wil er iets nieuws van maken.
We moeten niet uitstellen, koop de genadetijd uit. Het is nog de dag van de zaligheid. Uiteindelijk zullen we alles verstaan en kunnen we zeggen: het was goed gekneed te worden, ze zullen overal vandaan komen uit de grote (ver)drukking. Dan is het kneden en boetseren voorbij, en ze zullen we de eerkroon dragen, om Hem, om het eeuwig welbehagen.