Edit|
EditReeks Samenvatting:
Als twee mensen hetzelfde doen dan is dat nog niet hetzelfde. Zo zien we het in de gelijkenis: Twee mensen gaan op naar de tempel: ze doen hetzelfde. De één is hoogmoedig, de ander is nederig. Het is zo belangrijk hoe je bidt, wat je motivatie is, wat je houding is.
De dominee laat een geo-driehoek zien met drie punten:
God.
Jij.
De ander.
Twee bidders
1. Het dankgebed van de Farizeeër.
2. Het smeekgebed van de tollenaar.
Vers 9: En Jezus sprak met het oog op hen die vinden dat ze zelf rechtvaardig zijn en de anderen minachten.
De Here Jezus gaat hen een gelijkenis vertellen, een verhaal uit het gewone leven, met een bijzondere boodschap erin. ‘Ik ben beter, mijn buurmeisje is slechter’.
Ouders, daar hebben we allemaal last van. Daar hebben de discipelen, kinderen van God ook last van. Daar hebben we als gemeente ook last van. ‘Wij zijn niet de slechtste binnen de Protestantse gemeente in Rotterdam’. Zo zijn we altijd bezig met vergelijken. Dat is niet goed, zegt de Here Jezus. Je bent er van overtuigd dat je bekeerd bent, wel in de hemel komt. Je leeft niet in grove zonden en een ander zegt: ‘Jij komt er wel’. Dat is zelfrechtvaardiging, terwijl je geen zelfkennis hebt.
De Here Jezus vertelt: Twee mensen gaan naar Jeruzalem, naar de tempel. Daar komt een Farizeeër aan. De mensen zien het aan zijn kleren en gaan opzij. De Farizeeër gaat tot helemaal vooraan de voorhof. Farizeeërs waren vrome mensen die streng leefden naar de wet van God. Een tollenaar ging ook naar de tempel. Een groter contrast is niet denkbaar. Iedereen wist: dat is een vroom man, die ander is een zondaar. Een tollenaar was hetzelfde als een heiden, zondaar, hoereerder. Geld, daar is hij op uit.
Vers 11:
De voeten: De Farizeeër loopt rechtop, zo het tempelplein op, helemaal naar voren.
De handen: In de lucht.
Zijn ogen: Hij kijkt naar de hemel. Zo staat hij , fier rechtop. Zin hart zit vol met eigen ‘ik’.
Zijn mond: ‘O God, ik ik ik ik ik , Amen’. Hij roept met zijn mond ‘O, God’, met zijn ene oog kijkt hij naar zichzelf, met zijn andere oog naar zijn naasten, rovers, overspelers of zoals deze tollenaar, zo ben ik niet. Hij gaat zich vergelijken met anderen. Dat moeten we nooit doen. Dan gaat het mis.
‘Ik vast twee maal per week’. God vroeg één maal per jaar, op de grote verzoendag. ‘Ik geef tienden van alles wat ik bezit’. God vroeg tienden van je inkomsten, niet van alles wat je had.
De Farizeeër vraagt niets. Hij bidt niet voor een ander.
‘God, ik dank u dat ik niet ben zoals deze Farizeeër’. Dat denk ik als ik deze gelijkenis lees. Maar ben ik dan niet hetzelfde?
Vers 13:
De voeten: De tollenaar zat in het tolhuis, kon het er niet meer uit houden en hij loopt naar Gods huis, de tempel. Met dat hij naar de tempel loopt gaat hij langzamer lopen. Hij gaat de trappen op, hij durft niet meer verder. Hij voelt de afstand tussen hem en God en durft niet verder.
De ogen: De Here Jezus zegt: Hij durfde zelfs zijn ogen niet op te heffen naar de hemel. Wanneer kijken jullie naar de grond? Als je bij papa of mama moet komen en je hebt iets fout gedaan. Dan sla je je ogen neer. De tollenaar voelde zich schuldig, durfde zijn ogen niet op te heffen.
Zijn handen: Hij sloeg op zijn borst: hier zit de kwaal van mijn hart. Een teken van berouw, gebrokenheid van hart.
Zijn mond: ‘O God, wees mij, zondaar genadig’. Ouders, weet je wat deze man heeft? Zelfkennis, Godskennis en Christuskennis. Er is een lied dat zingt: ‘Heer ik kom tot U’. Dat zou het gebed van de tollenaar kunnen zijn. Die vinger gaat naar zichzelf, niet naar een ander. Dan bidt hij om genade. ‘Doe verzoening voor mij’. Zoals de Joden op grote verzoendag doen, jom kippoer, bedek mijn zonden.
Hoe kan die tollenaar verzoening krijgen? Ik zou tegen die tollenaar willen zeggen: Kijk waar je staat, vlak bij het brandofferaltaar. Daar worden de lammetjes geslacht. Daar ligt de verzoening. Dat spreekt van de Here Jezus.
De Here Jezus trekt de conclusie. ‘Ik zeg u, deze man ging gerechtvaardigd naar zijn huis.’Waarom? Omdat hij langs het altaar was geweest. Als je aan de Here Jezus vraagt of Hij je zonden wil vergeven dan doet Hij dat. God geeft hem genade. Wat? Een tollenaar door God aangenomen, een Farizeeër niet? Dat is schokkend!
Ik zie vier harten, een zwart hart, een rood hart, een wit hart en een gouden hart. De tollenaar had een zwart hart. Hij ging ermee naar de Here God. Door het rode bloed wordt mijn zwarte hart wit en krijg ik straks de gouden kroon.
Dan hoef je niet meer te bidden, maar mag je in eeuwigheid God loven en prijzen voor wat God heeft gedaan.