Edit|
EditReeks Samenvatting:
Mijn ure is nog niet gekomen, heeft de Heere Jezus vaak gezegd. Nu zegt Hij het in gebed: het uur is gekomen. Hij is zich dat ten volle bewust geweest. Het uur van Zijn lijden en sterven breekt aan. Aan het einde van Zijn leven werd het lijden nadrukkelijk lichamelijk, en het kwaad probeerde Hem te overmannen. “Onverwinbare kracht”, zongen we. Dat kon ons wel eens in de weg staan. De Schrift moet in de dogmatiek, maar het moet ons niet het zicht benemen op de Schrift, – het was werkelijk lijden. Al was Hij de Zoon van God. Dat lijden was niet alsof... ook al wist Hij wist wat de uitkomst was. Dan moeten we de dogmatiek terzijde leggen. Ook al is Hij waarachtig God èn mens, maar we kunnen dat eigenlijk niet begrijpen – we moeten van Zijn mens-zijn geen façade maken, een buitenkant. Het Woord WAS God. En het is vleesgeworden en heeft onder ons gewoond. De Heere Jezus is waarachtig en rechtvaardig mens geworden. Dat is het evangelie, God is mensgeworden. Om in onze plaats de toorn van God te dragen. Dat is het unieke van het evangelie. De zaak van mensen heeft God volkomen ter harte genomen.
Steeds opnieuw lezen we, dat de Heere Jezus de stilte zocht, op de berg ging om te bidden – een hele nacht op de berg doorbracht, belangrijke stappen in de voortgang van het evangelie. Als Hij Zijn discipelen roept, vóór grote wonderen. We lezen bijna nooit WAT de Heere Jezus bidt, maar hier vertelt de Heilige Geest dat wel. Straks ook in Gethsemane.
De Heere Jezus weet dat Hij gaat sterven, Hij kent de weg die Hij moet gaan. Je kunt zo'n bericht krijgen – u moet sterven. Je voelde je even niet lekker en ging naar de dokter en zo maar op eens openbaart zich een levensbedreigende ziekte of u wordt ouder en de dag nadert. Ja het staat in de Bijbel – deze nacht wordt uw ziel van u afgeëist. Je bezit helpt je niet, dat hoor ik wel zeggen: eens mens moet altijd bereid zijn God te ontmoeten, dat is sterven. Maar kan dat wel? Daar heb je bijzondere genade voor nodig, genade om te leven en genade om te kunnen sterven. Niet dat er geen genade is voor hen die plots uit het leven gerukt worden, maar wie zou er kunnen leven als je ieder moment van de dag met je dood bezig moet zijn. Maar het kan zijn, dat dat moment aanbreekt.
Wij moeten sterven vanwege de zonde – dat heeft Hij ook op Zich genomen. Onze tekst grijpt ook verder: verheerlijk Uw zoon, aan de rechterhand van de Vader in de hemel, straks – dat zit daar ook in. Ik bid voor hen die u mij gegeven hebt, die in mij geloven. God, maar waarachtig mens, Hij weet wat sterven is.
In alle godsdiensten van de wereld ontbreekt: God is werkelijk met ons bewogen en treedt in, Hij heeft de dood voor mij gedragen. Hij wilde onze dood sterven, met volle bewustheid. Hoe de weg ook is voor ons – De Heere Jezus heeft er weet van. Dat heeft Hij ook willen dragen in onze plaats. De verzoening brengt een mens troost, in het leven waar de doodsschaduw alles overschaduwt. Hoe kun je van het evangelie iets aan anderen doorgeven? Daarin, dat het woord van God in ons persoonlijk gestalte krijgt. In geloof iets uitstralen van wie Hij is en wat Hij doet. Bij het sterfbed van een kind van God zie je dat – hoop en bemoediging in de strijd. Omdat de Heere Jezus er weet van heeft, omdat Hij voor ons is uitgegaan de dood in. Wat een troost is dat. Laten we daar over spreken met elkaar, Hij heeft er weet van.
De Heere Jezus heeft gepreekt tegen zijn discipelen – na een goede preek hoort een goed gebed, zegt Luther, Hij sprak over het werk van de Heilige Geest. Hij zal het u verkondigen. En dan: verheerlijk Uw Zoon. Mijn uur is gekomen. De Vader heeft Hem tot zonde gemaakt. Plaatsvervangend.
Wat is er nu meer “onverheerlijkends” dan in het graf worden gelegd? Dat komt doordat WIJ gezondigd hebben. Sterven tot oneer. Hoe kan het graf tot heerlijkheid zijn?
Heerlijkheid heeft alles te maken van de lichtglans die van het aangezicht van God straalt. Adam en Eva ging in de hof rond en alles verkondigde de eer en de heerlijkheid van God. Tot de dauwdruppelen aan de bomen. Dan de zondeval: er zijn meer momenten, – de eer is weggevoerd. Maar soms kunnen we wat zien van die heerlijkheid, toch. Het kan een bloesemtak zijn in de stad, of een lam in de wei, nevelig licht op de velden. Iets van het wonderlijke van de schepping. Heerlijke kleuren van tulpen en krokus, hoe heerlijk is Uw naam. En dan komt zomaar de vorst over de tuin en dan is forsythia bijna zwart. Fruitbomen lijden schade. De werkelijkheid: de zonde heeft huisgehouden in de schepping. De heerlijkheid openbaart zich nog wel, maar alleen de mens die gelooft dat God de Schepper is, ziet dat. Zo zie je alleen door geloof de heerlijkheid van de Heere Jezus. Naar menselijke maatstaven denk je alleen aan de Arc de Triomphe in Parijs. Geridderde mensen.
Nu zegt de Bijbel dat de heerlijkheid van de Zoon daarin gelegen is, dat Hij zichzelf geeft om aan het kruishout te sterven, verhoogd aan het vloekhout van Golgotha. Daarin wordt de Zoon door de Vader verheerlijkt en andersom.
De Heere Jezus wordt groot als zondaren Hem omringen, goddelozen op Hem aankomen en het alleen van Hem verwachten. De zoon des mensen is het Lam, de schare die zingt. Lof zei het Lal dat onze zonden op Zich nam. Glorie en verheerlijking. Hij wordt verheerlijkt in de redding van zondaren, dus door Hem voortdurend nodig te hebben, als de Verlosser van je schuld. Uit de nood en dood, waarin je door eigen schuld gekomen bent. Dat is de eer, de verheerlijking van de Zoon van God, als je het van Hem alleen verwacht. Er is geen andere, blijder boodschap, die een mens werkelijk troost. Sterven moet je alleen, tenzij je God kent. Geen hoge woorden van onszelf, maar grote woorden van de Redder.
U hebt mij liefgehad voor de grondlegging der wereld. Waarom moest God dat nu toelaten – een geweldig ongeluk – twee kinderen uit een gezin, een moederhart gebroken, een ziekte die iemand uitmergelt, dat je er bijna niet meer op bezoek durft te gaan. En dan gebeurt het: niet door vroom praten. Maar midden in die grote nood troost het woord van God een mens. Een stervende die God belijdt. Een mens die langs de diepte van het leven gaat, nochtans van God getuigt. De Zoon verheerlijkt, doordat je door het geloof de Heere Jezus hebt leren kennen, en Zijn naam op je lippen ligt. Niet: en dan kun je, en dan weet je – nee. Dan drukt de Zoon Zijn beeltenis in ons uit. En een wonder is het als God je er iets van laat zien. Als je er van ophoren mag, van de verheerlijking van de Zoon en de Vader. Je komt bij opa, en je weet opa is heel ziek, maar hij zegt: zul je in de Heere Jezus geloven – en je ziet, dat is het liefste wat hij zou hebben, dat komt natuurlijk omdat opa de Heere Jezus zo lief heeft. Dat mama je heeft leren bidden.
Of zeg je – ik kwam weleens bij een mevrouw in de straat en daar merkte ik iets van het evangelie. U kent misschien van de dichter Achterberg: “Godsdienst hing zwaar tegen de hanebalken” . En je weet: God spreekt, het spreekt je aan. Dat het gebeuren mag in de kerk, dat je hoort: zo spreekt de Heere: de Zoon heeft de schuld op Zich genomen, de straf gedragen, dan zien we iets van de heerlijkheid van de Zoon.
Dan zijn we in de lijdenstijd, dan mogen we ites zien van de heerlijkheid van de Heere Jezus. We zagen niets, alleen dat Hij vernietigd werd, nochtans zien we de heerlijkheid van de zoon van God. Daar zal een schaar die niemand tellen kan, zitten – lof zij het Lam, dat onze zonde op zich nam. Dat is nu de heerlijkheid van God. Aan deze Zaligmaker u toevertrouwen. Heere hier ben ik, ik heb niets, U hebt het en daarom bid ik – onze Vader die in de hemelen zijt.
wij roepen U, in Uwen Zoon,
Die voor ons heeft genoeggedaan,
als onzen Vader need'rig aan.
Geheiligd word' Uw naam; ai, geef,
dat elk, waar hij op aarde leev'.
dien Vadernaam erkennen moog'.
Uw deugden roeme hemelhoog;
dat elk, als kind aan U gelijk'.
en in zijn doen Uw beelt'nis blijk'.
(Gez 5:1(b)/2)