Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2011-04-10 10:00:00
ds. M.M. van Campen (Rotterdam-Zuid)
Recht en genade

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Zac 13:7 Zac 13:1-9 2011-04-10_1000.mp3 (Hele dienst CD kwaliteit, 48kPro, 63.0Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Over Jezus' lijden wordt ook in het Oude Testament geprofeteerd. Zacharia mocht heel veel zien in de geest van het kruis van de Heere Jezus. Hoofdstuk 12: 10: Ze zullen zien op Hem die zij doorstoken hebben. Ze zullen met berouw blikken op de Verlosser aan het kruis. Maar te dien dage zal er een fontein geopend worden voor het huis van David tegen de zonde en de onreinheid. Een fontein die daar opspringt tot ontzondiging, tot reiniging. Op dezelfde dag van zonde-ontdekking is er ook zonde-bedekking. Dat is het begin.
Dan vers 7. Het begint met: zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder. Het eindigt met een hand tot de kleinen. Daar tussen ligt een geslagen Herder. Zacharia staat als het ware aan de voet van het kruis, 500 jaar voor de geboorte van de Heere Jezus. Het ontwaakte zwaard tegen de Heere Jezus: Gods recht. Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden: genade.

Een wolkkolom: Een donkere kant en een lichte kant. De duisternis zien we in het eerste gedeelte. Het zwaard van Gods oordeel en toorn tegen de Heere Jezus. De lichte kant is dat God Zijn handen wendt tot de kleinen. Recht en genade. Twee gedachten.

1.een verwonde Herder
2.een vergaderende hand


Van wie zegt de profeet dit? Onder vers 9 staat een verwijzing naar Mattheus 26: 31. De Heere Jezus haalt daar zelf deze tekst aan. Hij heeft de lofzang gezongen na het laatste avondmaal. En zegt dan: u zult vannacht in deze nacht aan Mij geërgerd worden en u zult allen verstrooid worden: want er staat geschreven en dan haalt Hij deze tekst aan. Hij betrekt het op Zichzelf. Ik zal de Herder slaan, de schapen zijn de discipelen, verstrooid. Maar op de opstandingsdag zal Hij ze weer bijeen vergaderen. Het gaat hier over de Messias.

Wie is hier aan het woord? God zelf.
Over wie heeft God het dan? Er staan veel hoofdletters in deze tekst. God de Vader spreekt hier over God de Zoon. Drie namen voor de Heere Jezus: Mijn Herder, Man, en Metgezel. Mijn Herder. De Heere Jezus is Gods Herder, door God aangesteld om de kudde te vergaren. Gods Herder; dat wijst op Zijn functie. Hij is aangesteld om een Herder te zijn. Maar ook Zijn persoon wordt hier genoemd: man, dat wijst op Zijn menselijke natuur. Hij is de man van smarten. Waarachtig mens. Mijn Metgezel, zegt God. Dat wijst op Zijn goddelijke natuur.
Wat heeft Zacharia al veel mogen zien.

In hoofdstuk 11, twee hoofdstukken hiervoor gaat het over valse herders. De Heere Jezus is de Goede Herder; Hij heeft het verlorene gezocht en afgedwaalden teruggebracht, zieke schapen genezen. Hij heeft ze gevoed en gewijd in de grazige weiden. Gaf dorstigen te drinken. Je zou verwachten dat dat zwaard dat ontwaakt, de valse herders zou treffen. Maar dat staat er niet. Zwaard, ontwaak tegen MIJN Herder, tegen de Goede Herder dus! De Heere beveelt zelf aan Zijn zwaard om de Goede Herder te doden! Geen vijand die zegt “Jezus moet dood”, maar God de Vader zegt het zelf! God geeft het militaire commando aan Zijn zwaard om niet Zijn vijanden te doden, maar om Zijn Metgezel en Man, Zijn zoon te doden.

Waar heeft dat zwaard mee te maken? Een zwaard is militair wapen. De eerste keer dat een zwaard voorkomt is na de zondeval. Als Adam en Eva worden uitgedreven uit de hof van Eden. Het paradijs is “lost”, gesloten. Zondige mensenkinderen komen er niet meer in. Een zwaard heeft te maken met het recht. Nog steeds. In rechtszaken die je vaak een afbeelding van vrouwe Justitia met een blinddoek voor en het zwaard in de hand. God die de zonde straffen moet, zonder aanzien des persoons. Dat is die blinddoek.
God haalt dat zwaard uit de schede. Wie gaat dat zwaard nu treffen. Misschien de dwalende schapen....zij liepen immers weg? Met een dwaalziek hart? Zij verdienden de dood.

Wonderlijk: Het zwaard van Gods recht is al die jaren in de schede blijven zitten. Veertig eeuwen lang. Terwijl vele zonden in die tijd begaan zijn. Het had ons moeten doden, maar deed het niet. Dat goddelijke geduld hield als het ware Gods rechterhand tegen. Nog niet. En pas na 40 eeuwen komt het bevel: zwaard ontwaak.
Hij gaat Zijn leven dan geven tot aan het kruis. Wonderlijk. De Herder ving de klappen op. Ze kwamen allemaal op Hem neer. Hij niet gespaard maar gestraft. Ze waren voor mij bedoeld, maar bereikten Hem. Vanwege de overtredingen van de zondaars ging het zwaard dwars door Hem heen.

Ik sta aan de voet van het kruis en verwonder me. De Man van smarten waarvan Jesaja 53 spreekt: die Man die om onze overtredingen verwond werd. Plaatsvervanging: gezegende ruil. Het zwaard dat mij had moeten treffen, was op Hem. Toen Abraham zijn zoon Izak moest slachten, gaf God net op het nippertje uitkomst. Dat mes werd tegen gehouden: doe je zoon geen kwaad!

Bij de Heere Jezus werd het niet tegengehouden. Gods erbarmende liefde die al ons denken overtreft. God straft de zonde; eer Hij de zonde ongestraft laat blijven. Gods recht naar de Heere Jezus, Gods genade naar mij.

Wanneer is deze tekst nu eigenlijk vervuld? Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen het lijden dat de Heere Jezus heeft ondergaan van de kant van mensen en dat van de kant van God. Dat moet je heel goed onderscheiden. Lijden van mensenkant: door Kajafas, Herodus, de Joden, de Romeinen. In vers 6 zie ik wat de Heere Jezus lijdt van de kant van mensen; in vers 7 zie ik wat Hij lijdt van de kant van God.

Veel goede uitleggers betrekken vers 5 op de Heere Jezus. Wat zijn deze wonden in Uw handen? Dat gaat over de Heere Jezus die kruis-wonden in Zijn handen heeft. De wonden van de nagels en spijkers, door en door, die heeft Hij ondergaan vanuit het huis van Zijn liefhebbers, het Joodse volk. Zij hebben Hem verwezen naar het kruis. Mensen hebben Hem dat aangedaan; de hamers die beukten op Zijn handen. De rietstok op Zijn hoofd, de gesel op Zijn rug, de speerstoot in Zijn hart. Hem aangedaan door mensenkinderen.
Maar vers 7 gaat veel dieper: dat gaat over lijden dat Hem van Gods kant aangedaan wordt. Het zwaard dat ontwaakt tegen de Heere Jezus. Dat is gebeurd tijdens de 3 uur durende duisternis aan het kruis. Dat lijden is het verzoenende lijden. Daar heeft Hij het oordeel van God gedragen voor mij. Dat doen geen mensen Hem aan, maar dat doet God Hem aan. Jesaja 53: Hij werd van God verslagen en verdrukt. Dit is het hart van het evangelie, de kern, het merg, de pit.

Waarom deed God dat nou? Omdat Hij in die 3 uur durende duisternis tot zonde werd gemaakt. Toen moest dat zwaard van Gods recht Hem treffen. Tegen Christus. Toen de Heere in onze plaats de zonde op zich nam. Toen werd de verzoening aangebracht. In de Heidelberger Catechismus en in het avondmaalsformulier staat dat de Heere Jezus gedurende Zijn ganse leven de toorn van God tegen het ganse menselijke geslacht gedragen heeft.
Vanaf het begin van Zijn mensenleven de toorn van God gedragen. Dat is niet waar. Hij heeft wel Zijn hele leven geleden van de kant van mensen. Maar Hij zegt ook: Ik en de Vader zijn één. Dan draag je de toorn van God niet!
Die toorn van God heeft Hij pas gedragen in die 3-urige duisternis. Toen kwam de toorn van God op Hem neer. Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten. Die heilige rechtvaardige God moest Hem in die 3 uren verlaten. In vers 6 gaat het over het vreselijke lijden van de kant van mensen. De wonden in Zijn handen. Die zijn Hem door mensen aangedaan. Dat lichamelijke lijden kun je in zekere zin nog uitbeelden. Maar dat is geen verzoenend lijden. Die geselslagen, hamerslagen, spijkers kunnen geen zonde wegnemen. Maar als het geen mensen meer zijn die het Hem aan doen maar Gods zelf Hem verlaat... Dat is verzoenend lijden. Daardoor is er genade voor mij. Hij is door God voor ons tot zonde gemaakt. Opdat wij zouden worden gerechtigheid in Hem.

In die drie uren van duisternis ging het niet meer om het lijden van de Heere Jezus door mensen. Niet Jezus ten opzichte van mensen. Ook niet Jezus ten opzichte van satan. Maar het gaat in die drie uren van duisternis om Jezus tegen een heilig en rechtvaardig God. God maakt Hem tot zonde. Het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen. Dan denk je al gauw: was God dan boos op Hem? Nee, God was niet boos op Zijn Zoon. God had niks tegen Hem. Gods toorn richtte zich tegen de zonden waarmee Hij beladen werd. Dat waren mijn zonden! Op dat moment moest Gods zwaard zich richten tegen Hem die tot zonde werd gemaakt. God die zoveel liefde is, dat Hij nog liever wilde dat Zijn eigen Zoon die verschrikkingen moest ondergaan, dan dat Hij mij verloren zou laten gaan. De Heere Jezus is zo vol liefde dat Hij nog liever wilde die vreselijke verschrikkingen in die drie uur ondergaan, dan dat wij verloren zouden gaan. Een zwaard en een kruis lijken op elkaar. De punt van het zwaard in de grond; het kruis als een omgekeerd zwaard.

De Heere Jezus was angstig in de hof van Gethsémané. Maar niet vanwege het lichamelijk lijden, maar vanwege de Godsverlating. Martelaren hebben hebben ook zulke dingen ondergaan. En dat ging vaak blijmoedig. Maar die drinkbeker die de Vader Hem zou geven, vol van de toorn van God vanwege de menselijke zonde. Dat God tegen Hem zou zijn. Dat is de hel, de Godverlatenheid, het zwaard. Daar zag de Heere Jezus verschrikkelijk tegen op. Dat maakt Hem bedroefd tot de dood toe.

Dat lichamelijk lijden kunnen we ons nog iets bij voorstellen, maar dat lijden van Godswege niet.

Heden zul jij met Mij in het Paradijs zijn...zei de Heere Jezus tegen de moordenaar aan het kruis. Dat kon doordat Hij de toegang heeft vrijgemaakt. In NGB artikel 20 staat: de Vader heeft Gods rechtvaardigheid op Zijn Zoon en Zijn barmhartigheid naar ons bewezen. Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. Het recht voor Hem, de genade voor mij. Een toornig God voor Hem, een genadig God voor mij. Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. Dat verzoenende lijden draagt vrucht. Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.
Dat gaat over Israël in de eerste plaats. Israël is verstrooid onder de volken en sinds 1948 is God bezig hen bijeen te vergaderen. En straks zal Hij Zijn Geest uitstorten op hen. Twee-derde uitgeroeid, één-derde in de smeltkroes. De bekering van Israël. Dat is eindtijd. Toen de Heere Jezus opstond uit de dood. Toen heeft Hij hen weer bijeen vergaderd.
Ik zie een wenende Maria; Hij zoekt hen op. De Emmaüsgangers zoekt Hij ook op. Een paar vrouwen: Hij zoekt ze op. Ik zie daar een schuld-verslagen Petrus; de Herder verloren. Voelt zich verkoren. Straks een verloren Paulus. Hij zoekt hen op. Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden....

Hoe staat het nu met ons? Voelt u zich ook zo'n kleine? Herkent u zich een beetje in dat afgedwaalde schaap? Schuldig, afgedwaald? Ik kost Hem die slagen die God Hem toebracht....Als ik dit tot mij door laat dringen...laat mij van die grote kudde toch een heel klein schaapje zijn. Jullie hebben gehoord van de Herder; je mag bij die Herder zijn. De Herder bij wie het Zwaard door Zijn hart is gegaan.

Klein van geloof, klein van krachten, klein van leeftijd.....ook de lammetjes horen bij de kudde! Pasgeboren schapen, je ziet ze weer in de wei, ze horen erbij. Beginnelingen op de weg; de Herder strekt Zijn hand naar je uit. Hij wil je tot Zich nemen; de ongeboren lammetjes ook! En ook de doodgeboren lammetjes, de baby'tjes die sterven wil Hij tot zich nemen. Je ziet de hand van de Heere Jezus. De Heere Jezus omhelst ze en legt Zijn hand op hun hoofd. Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. Hij omvangt ze met Zijn armen. Op Zijn schoot. In Zijn arm de lammeren. Hij zal ze dragen in Zijn schoot. Wat is de schoot van de Herder? Hij heeft een riem om, en in de plooien van Zijn kleed, boven de gordel daar legt Hij die lammetjes in. Hij legt ze erin die niet meer kunnen; die komen er toch. Hij zal ze dragen; met zich mee. Dicht tegen Zijn Herdershart aan. Ze horen de klop van Zijn hart. Ik zie vanmorgen een doorboorde hand. Door en door. Hij strekt die vanmorgen naar jou uit... Geef de Heere je hand! Sla hem niet af! Hou je hand niet op je rug! Straks komt Hij terug. Dan komt er een tweesnijdend zwaard uit Zijn mond en allen die Hem niet als Koning wilden hebben, laat Hij voor Zijn voeten doodslaan. Hij wil je ten Herder zijn, maar jij wilt niet! Dan zal Zijn zwaard ook jou treffen.
Misschien zijn er vanmorgen mensen die zich aangesproken voelen door het woord “bekommerden”. Die niet zeker zijn van hun heil. Waar ben je dan bang voor? Ben je dan bevreesd voor dat zwaard? Vrees ziet op het zwaard, maar geloof ziet op die hand! Vrees niet, geloof alleen!
Dat zwaard trof Hem. Die God met uitgestoken hand, om Jezus wil naar jou toe. Die schapen gaan zingen van die Herder. Zo zullen wij de schapen Uwer weiden in eeuwigheid Uw lof Uw eer verbreiden en zingen van geslachten tot geslachten Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb're krachten.

Edit