Edit|
EditReeks Samenvatting:
Het is al even geleden, ik las kort na elkaar twee boeken over de lotgevallen van de Joden. Je kent het wel, maar als je er in detail kennis van neemt, gaat het dwars door je heen – wat er allemaal met ze gebeurt is – zo schaamteloos en zo goddeloos. Daarvóór las ik Soltsjenitzin, De Goelag archipel. Goelag is een naam voor de talloze strafkampen in het stalinistische Rusland, je houdt het niet voor mogelijk, hoe volslagen onschuldige mensen tijdens dat regime met absolute willekeur werden opgepakt en ingerekend. Mannen en vrouwen, vernederd, mishandeld gemarteld en als ze dat al overleefden, tot levenslange dwangarbeid veroordeeld. Een van de doeltreffendste en laagste methode om de arrestant tot een 'bekentenis' te dwingen, is hem van zijn menselijke waardigheid te beroven, zo kapot gemaakt. Ze wisten heel goed hoe ze dat moesten doen: bespuwen, bespotten, uithongeren, onteren, slaan en trappen. Wat er dan van het slachtoffer over bleef, was een erbarmelijk hoopje vuil. Een mens van zijn menselijkheid beroofd, naar lijf en geest gebroken.
Je houdt het niet voor mogelijk, hoe kunnen mensen dit hun medemens aandoen, je word er onpasselijk van. En er was nog een andere vraag: Waar was God in heel dit duivels spel? Stond Hij er buiten? Vergeef me: sliep Hij even? Nee, Hij is geen afgod, Hij slaapt en sluimert nooit. Ging het dan langs Hem heen?
Bij die talloze onophoudelijk pogroms tegen de Joden, in de gaskamers van Auschwitz, in de goelag van het stalinisme. Ik weet niet of die vraag u en jou ook wel eens bestookt, maar die vraag kan je benauwen, weet ik uit ervaring.
Dan sla je zo'n boek dicht en je slaat het evangelie op. En daar lees je toch vergelijkbare taferelen! Maar nu betreft het Jezus. God de Zoon, onze Heiland. Waar was God in die laatste, langste dag van Jezus' lijden. Daar staat Hij op Gabbatha, Lithostrotos. Een stukje geplaveide straat. Voor het “recht”huis. Recht dat met voeten getreden wordt. Een absoluut rechtvaardig en onschuldig mens staat onder arrest – mishandeld en vernederd. De Koning, de Messiaanse vorst. Ik heb Hem uit het volk verhoogd, hebben we gezongen. Als koning zal Hij alle eeuwen regeren. En kijk nou toch, Hij een held - Tot hulp geboren en verkoren? Hij kan zichzelf niet de minste hulp verschaffen. Werkelijk totaal onschuldig.
Pilatus kan niet anders dan tot drie keer toe zeggen: ik vind in Hem geen schuld. Maar hij wil geen oproer. Hij zoekt koortsachtig naar een uitweg uit deze impasse. Hij zet Jezus op een tweetal! Barabbas wordt bij acclamatie verkozen. Barabbas was een moordenaar. Verworpen door zijn eigen volk. Pilatus' opzet was mislukt.
Hij denkt nu: als ik Hem nu eens laat geselen, dan kom ik wat tegemoet aan dat volk en kan ik het milder stemmen. Maar tevergeefs. De soldaten doen meer dan hen opgedragen. Doornen van een decimeter. Op Jezus' hoofd. Een rode militaire mantel om Hem heen, de persiflage is kompleet. Spotbeeld van een gekroonde koning. Smadelijke karikatuur, Ave Rex Judearum, ipv Ave Casear Imperator. I.p.v. te salueren slaan ze Hem in het gezicht. Dezelfde taferelen als bij Soltsjenitzin.
Jezus wordt voorgeleid. Rembrandt, schilder-evangelist, heeft Hem trefzeker getekend, met handboeien om, je kunt niet afweren. Met een blik van oneindige smart. De opzet van Pilatus' tactiek is duidelijk. Die beschuldiging is toch absurd, zie de mens, dit is hem nou. Zeg nou zelf. Zou dat een koning zijn? Niemand heeft toch wat van Hem te duchten? Kom tot bezinning, gebruik je hersens, Of laat je gevoelens toch spreken.
Hij bedoelde, zie je zijn volstrekte onbeduidendheid nu niet in? De hogepriesters zien heel iets anders. Hij is strafwaardig, een godslasteraar. Zoekt u naar ons gevoel: dit is ons gevoel. Wir haben ein Gesetz, und nach dem Gesetz sol Er sterben (http://www.youtube.com/watch?v=LOftb8jYCec) – Bach was ook een schilder, met tonen. De scherpe, flitsende fuga uit de Johannes Passion, kent u ze?
Ecce homo, zie de mens. Het is het trefwoord geworden voor de lijdende Christus. Pilatus: hij stel niets voor. Maar het Sanhedrin zegt: laat Hem ondergaan. Wat voor de Romeinen een dwaasheid is, is voor de Joden een ergernis.
Waar is God? Wat vindt God er van? En wat vind Jezus zelf ervan? En wat vind jij er van? U?
Wat vindt God hiervan, van deze gesmade Jezus? Hij vind hetzelfde als wat Hij altijd vindt, deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb. Mijn innig geliefde Kind, mijn alles. Kind van Mijn hart, met wie Ik goddelijk één ben.
Juist in deze dwaasheid komt Gods wijsheid openbaar. Zie de geheel enige, unieke, die nooit zonden heeft gedaan. Zo grenzeloos genadig, zo grenzeloos lief had God de wereld, Rotterdam, niet alleen de Maranathakerk, hoor...
Hield hij niet van Zijn zoon? Ja – Hij was het als het ware zelf, hoor – ik heb daar niet de woorden voor. U ook niet, God gaat ver boven het dak van ons denken. Maar een ding weet ik wel, die Vader en Zijn Zoon zijn één. Een wezensverbinding en toch hield Hij zo veel van die rebelse wereld, dat Hij het Kind van Zijn hart er voor over had. Hoef je niet te vragen, hoe diep de liefde is tot die wereld en de liefde van de Zoon voor Zijn Vader.
Waarom greep God niet in? Paulus, wat is daar gebeurd?God volvoerde Zijn plan. Het is al uit God, Hij heeft ons met zich verzoend. Door alle goddeloosheid van ons mensen over te hevelen op zijn Zoon. Wat God er van vindt? Staat Hij er achter? Nu haperen mijn woorden. Hij staat er niet buiten, er boven. Ik heb niet de moed om zo te zeggen, Hij staat er achter. Die rechtsverkrachting haat God en oordeelt Hij. De daders zijn voor 100% verantwoordelijk. Maar gemeente, God neemt dit alles op in zijn heilsplan, en wendt dit kwaad ten goede tot verzoening van de zonde.
Dan roept God ook: zie de mens, die jouw schuld draagt. Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. In deze twee korte zinnen is heel het heilig evangelie samengevat. Zie o mens, zie de mens, voor jou. En zie o zondaar wat je ook misdeed, zie het Lam. Mijn Paaslam, dat ik voor u gegeven heb. Dit vindt God er dus van, alsof God door ons bad - van Christuswege: weest met God verzoend....
Hoe kan dat? Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
En wat vindt Jezus van Gabbatha, Jezus zegt geen woord. Hij zegt pas weer wat, als Hij aan het kuis gespijkerd hangt – het eerste is dan: Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen. Een welsprekend zwijgen. Boekdelen.
Hij komt niet in verzet, schreeuwt niet om wraak, scheurt de spotmantel niet van Zijn lijf, gooit niet met het vuur van vergelding om Zich heen. Dogmatisch – ja dat had Hij gekund, maar Hij kon het niet vanwege Zijn liefde - onbegrijpelijk, maar kunt u het volgen wat ik bedoel? Hij bleef op Zijn post en kwam niet in verzet.
Hij legt alle tekenen van Zijn glorie af. De almacht van zijn liefde, Hij de koning, maar in de gestalte van een slaaf, de Leeuw van Juda, maar weerloos als een lam. De mens in de tooi van vernedering, niet in de grandeur, maar misère, de tooi van bloed en kwetsbaarheid.
God de Zoon, maar in vernedering. Mijn Heere en mijn God – waarom, anders kon Ik jou niet zaligmaken. Ik ben een Hogepriester, eigenlijk de enige. De priester, die in uiterste saamhorigheid in alle dingen gehoorzaam wil zijn.
Omdat er geen Goelag en Auschwitz en geen Noord-Korea en Eritrea is, waar Ik niet van af zou weten. Ik daalde tot de bodem waar het kwaad het diepst is. En daarom is er voor u, Mijn volgeling, geen schacht zo diep of Ik ben jou metgezel. Nergens hoef je zonder Mij te zijn.
Er is geen grens aan Jezus macht. Er lijkt geen doorkomen aan, maar er staat een voetspoor in de aarde, geen traject geen tragiek, geen plek waar Ik niet al eerder was. Ik weet er de weg. Nooit laat Ik je alleen. Ik ben met u alle dagen. De zwartste nachten in begrepen. Ik kwam er door en sta er voor in. Hoe moet je niet vragen – nou ja, vraag het maar wel. Kun je niet verder laat je maar vallen. Hij draagt je verder, één voetspoor in het zand. Gekroond en gekleed in licht en glorie zal Ik daar zijn.
Dan zul je eens wat beleven. U blijft toch niet achter - dat zou toch zo zonde zijn, zonde bij uitstek, Jezus af te wijzen. Hij doet niets liever dan oprapen en meedragen en zalig maken. Zul je nooit zeggen, neen dank u – hoe dan ook ingekleed? Zeg maar amen, Heere, graag. Ik zou niet weten hoe ik er zelf moest komen. Aanbid Hem, geef Hem jouw/uw hart, je zult toch straks niet ontbreken in die schare die niemand tellen kan? Uit alle talen... voor de troon van het Lam. Geen doornenkroon en geen rietstengel, maar witte kleren, palmtakken. Zie de mens zal het klinken, eerst aan Jezus' adres. Maar dan ook aan ieder die aan Hem verheerlijkt is. Zoals ze bedoeld zijn, van den beginne. Zo paradijselijk gaaf en goed, tot lof en aanbidding herschapen.
En wat vind jij ervan? Niet ervan, maar wat vind je van Hem. Dat is misschien de beslissende vraag – wat dunkt u van de Christus. Wat denk je van Hem? Ik kan niet in je hart kijken, maar als ik bij mezelf te rade ga: Misschien zult u het herkennen.
Wat ik ervan vind: Om te beginnen moet ik u iets bekennen. Ik ontdek in mijn hart, dat ik ten diepste niet zoveel beter ben dan die Romeinse soldaten, niet omdat ik die zelfde wreedheid heb, dat verfoei ik. Maar omdat ik iets van die Griek en die Jood in mijn overwegingen tegenkom - dat zogeheten gezonde verstand vindt zo'n machteloze koning een dwaasheid. Ook mijn vrome gevoel neemt aanstoot aan zo'n kruisdood. Dit evangelie is niet naar de mens. Dat zult u toch herkennen. Niemand blijft neutraal. U zit allemaal in de beklaagdenbank.
Door genade mag ik er ook iets anders aan toevoegen. Jes 43: hij sluit zich ook in: *Wij* hebben Hem niet begeerd. De minste van de minste. Maar Hij is om onze overtredingen verwond. Die genade ogen, dat zie je dan – jouw Borg, Bruidegom. Ik zie: Hij voor mij. Dan komt Gabbatha er anders uit te zien – niet meelijwekkend, maar meelij voelend, bewijzend. Heere Jezus, U bent de mens die in mijn plaats kwam staan, geboeid tot mijn bevrijding. Daarom ga ik toch vrijuit. Een nieuwe schepping, aan zonde, leed voorbij .
Nou, zeg het nu maar, in uw hart, tot God. Wat vind je van Hem, ik zeg het voor; ik zing, al is het soms met een gebroken stem: Is dat, is dat mijn Koning? Ja dat is Hem. Geen andere begeer ik, maar:
Ja, ik kost Hem die slagen,
die smarten en die hoon;
ik doe dat kleed Hem dragen,
dat riet, die doornenkroon;
ik sloeg Hem al die wonden,
Laat mij toch nooit vergeten
die kroon, dat kleed, dat riet!
Dit trooste mijn geweten:
't is al voor mij geschied