Edit|
EditReeks Samenvatting:
1 God is de Gever van alles
2 God's zegen op alles
3 God vertrouwen in alles
We hebben de eerste helft van het Onze Vader overdacht, het ging vooral om Gods eer. Uw, Uw, – nu gaat het over ons mensen. Wilt U ons brood geven, onze schuld vergeven en ons niet in verzoeking leiden.
Onze behoefte voor vandaag, schuld in het verleden en bewaring voor de toekomst. Het gaat niet alleen om God in de hemel in dit gebed van de Heere Jezus. Hij ziet niet voorbij aan het feit dat we mensen van vlees en bloed zijn. Geef ons dagelijks brood – het is veel vergeestelijkt. Geen avondmaalsbrood, maar de dagelijkse behoefte. Ons lichaam is niet het voornaamste maar het heeft wel de eerste zorg nodig. William Booth (oprichter van het Leger des Heils): een hongerige maag luistert niet. Eerst Soup, dan Soap en dan Salvation. Bed&Breakfast en dan een Bijbel. Zo zegt de Heere Jezus het ook. Een overvolle maag luistert overigens ook niet. Half 3 's middags heb ik in mijn eerste gemeente wel gepreekt, ze vielen zo in slaap met het warme eten in de maag.
De kleinste dingen zijn voor Hem niet te gering en de grootste dingen niet te moeilijk. Wij zijn geen engelen, het zijn geen zes geestelijke beden. Ook niet alleen maar aards. We hebben het daar vaak alleen over.
Geef ons heden ons dagelijks brood. Zes woorden. Zes levenslessen.
1 Geef.
Een les van afhankelijkheid. De Heere Jezus stuurt de kinderen naar Vader. Geen bedelaarsgebed maar een kindergebed. Wilt U het me geven, want ik heb het nodig. Welke aardse vader geeft een steen? We mogen bij Hem aankloppen, geloof en eten en drinken is net zo goed een gave van God. Wees er dankbaar voor. Veel mensen bidden niet meer voor hun eten. De Heere Jezus bad wel voor de spijziging van de 5000, Hij kijkt naar de hemel en Hij dankt en zegent God de Vader. Bidden voor het eten en danken na het eten, doen wij. Gezegend zijt Gij, koning der wereld, dat u het brood uit de aarde ons doet toe komen. Voor de maaltijd. U bent de bron en we erkennen U, loven en eren U. Al praat iedereen door...
“Maar ik heb voor dat eten keihard gewerkt...” Wie zorgt er dat er oogst is? Dat doet God, zegt een christen. Er is een officiële droogte in Nederland op dit moment, als er te veel valt, verrot het in de grond. Wie zorgt er voor die balans? Noachitisch verbond. Wie zorgt dat het zaad ontkiemt – er waren vroeger sprikhanenplagen. Computergestuurde irrigatiesystemen kunnen geen grassprietje laten groeien. Wie geeft je trek in je eten, dat je geen etenslucht kunnen verdragen, een goede buikgriep...'Gelukkig een beschuitje blijft er in'.
Ik dank God dat er geen oorlog of revolutie is, platgebrande oogsten door een rebellen leger. Tien plagen in Egypte. Kikvorsen komen overal. Ook in de huizen, in bakovens, de bedden.
Luther: een varken vreet een eikel op, die valt zonder op te zien naar waar hij vandaan komt.
Is het niet hypocriet om het te bidden, omdat onze koelkasten zo vol zitten, vijf broden in de vriezer? Een bankrekening waarmee we 20 jaar eten kunnen kopen. 100% zeker dat we volgende maand eten hebben. We maken ons druk over WAT we eten. Om bruin of wit brood, zachte bolletjes, croissantjes. Wie er zal koken en waar we eten. Geen we duur doen omdat we zoveel jaar getrouwd zijn – dat is ons luxe probleem. Voor de Tweede Wereldoorlog, crises, daar was het realiteit om de week door te komen met het weekloon. Werkelijk bede om brood met een hongerige maag. En dat er dan uitkomst kwam. Ik kan mensen noemen, die dat kennelijk hebben ervaren.
Ik herinner mij, dat wij in Canada waren, bij een ouderling en hij verbouwde tarwe, het was een krappe tijd. Hagelstorm kwam er aan, hij werd er benauwd onder. Heere – u kunt toch zorgen dat de hagel het veld niet zal raken en zo gebeurde het. Zijn tarwe stond nog recht overeind. Te merken dat God er niet alleen is om je ziel te redden, maar van je afweet en: Ik weet waar je meezit. Uitredding. De hemel weet ook van mijn aardse tijdelijke zorgen en problemen.
Hem erkennen als enige bron. Gij hebt ons mild gevoed – en we hebben toch ook een voedselbank. Bewaar ons voor nooddruft en voor overvloed. De eerste drie boterhammen mochten met beleg, de volgende daar smeer je maar tevredenheid op. Nu is het anders. Je plamuurt een boterham met pindakaas en vervolgens hagelslag erop.
Proef ik nu wat in dat brood, ik ben natuurlijk ook een welvaartskind. De verloren zoon, toen hij de eerste boterhammen weer kreeg: Daar proefde hij de onverdiende goedheid van zijn Vader in. Een verbeurde boterham. Door verkeerd eten. De aarde is om uwentwil vervloekt. Dat de aarde om Christus wil toch weer zegen voortbrengt. Ten diepste is dat omdat Christus daarvoor betaald heeft. Ds Van Reen (“Bart en Kees”) elke boterham is niet alleen betaald, bij de bakker maar ook met de dure prijs van dat Bloed. Om Zijnentwil een gezegde boterham. Als ik goed kijk, dan zie ik dat in de Schrift.
Ons. Tweede les: liefde, ook anderen. “Mij” komt in het Onze Vader niet voor. Delen, toen Ruth aren ging lezen was het ook voor haar schoonmoeder Naomi. Soms zou ik willen vragen, waarom God al dat onrecht en die honger toestaat. Maar ik ben bang, dat God mij diezelfde vraag zou stellen, waarom wij, als het rijke Westen, al die armoe toestaan, als wij er ook wat aan kunnen doen....
Geen rijstchristenen. Als je het evangelie aanneemt help ik je met rijst. Maar eerst handen vol met ontferming, dan pas vertellen we waarom we dat doen. Geen rijke mans mentaliteit, die de arme Lazarus over het hoofd zag.
3e les Heden. Sterfelijkheid, het gaat om vandaag – morgen kan het de eeuwigheid zijn. Ik heb grote schuren en ik ga nog grotere bouwen, dan kan ga ik lekker leven – dwaas. Morgen is het de eeuwigheid. De rijke was was wel slim, hij dacht vooruit, maar hij dacht alleen aan zichzelf. Het ware geloof, zie je aan de werken. Als je broeder of zuster honger en kou heeft, zegt je niet ga heen en wordt warm. God geeft nog een heden der genade.
Bij een huisbezoek lag een Bijbel op tafel met een hoes: Het brood des levens. Dat krijg ik ook in het heden der genade. Brood voor het hart om op te kauwen, zodat het voeding is voor mijn geestelijke leven. De Heere Jezus als HET brood des levens. Heden.
4e dagelijks. Toereikend tot morgen. Kinderlijke onbezorgdheid. Als ik vandaag genoeg heb, heb ik geen zorgen voor morgen. Je moet wel “zorgen voor”. Maar als Hij nou zorgt voor de musjes en jonge raven, zou Hij dan niet voor Zijn kinderen zorgen? Jouw zorgen voegen niets toe. Voor de noden van morgen mag ik morgen bidden. Elke dag geeft weer nieuwe behoefte. De Heere wil zo graag, dat we elke dag weer even bij Hem terug komen. God gaf een dagmaat in de woestijn.
Voor genade geldt dat ook. “Stel je voor, dat er nu vervolging komt. Als je een mes op je keel gezet wordt, wat zou je dan doen?” Ik zou Hem verloochenen, als ik geen genade kreeg – maar wat ik dàn nodig heb, zal God me geven!
En als het nou sterven wordt? – zou het kunnen? Als God me geen stervensgenade geeft: nee. Maar als het moment komt vertrouw ik dat God het me geeft, want dan heb ik het nodig.
Veertig jaar heeft God de tafel gedekt in de woestijn. Elke morgen uit Zijn hand. Er werd een gouden kruikje met manna in de tabernakel gelegd, en toonbroden. De Heere had voor al de twaalf stammen gezorgd. Ze kwamen niets te kort. De Heere zorgde ook voor hun buitenkomt.
5e les: Ons brood. Werkzaamheid. Hij laat het niet in je mond vallen. Ze moesten bukken en het klaarmaken. Gods gave maar ook onze zorg en arbeid. Dat geldt voor het dagelijkse, maar ook de spijze, die niet vergaat. Ook mijn geloofsleven moet onderhouden, door persoonlijk stille tijd te houden. Uw gave noch onze arbeid kan niet zonder Uw zegen. Dat maakt dat het werkt. Je kunt veel zwoegen, maar de zegen maakt ons rein.
Daniël wil niet eten van de tafel van de koning. Mogen wij het proberen? Zij zien er dan gezonder uit. Maar Gods zegen zat daar in, als Hij dat doet – voedsel, een pilletje zegent Hij, dan gedijt het.
We lezen aan tafel nu Spreuken. Beter een weinig, met de vreze des Heren dan een grote schat en onrust. Beter groente met liefde dan een os met haat.
6e Brood. Gewoon normaal, geen luze. Agur: (Spreuken) – ik heb arme mensen gezien, en rijke mensen. Ik wil geen van beide. Als ik rijk word, is er kans, dat ik U vergeet en als ik arm ben, is er kans dat ik ga stelen. Geen gebrek noch overvloed, maar mijn bescheiden deel.
Dat bidt de Heere ons hier voor. Brood is Gods gave en beleg is toegift. Hebt nu niet enige toespijs? Dat geeft de Heere soms ook. Niet elke dag, dan ga je het gewoon vinden.
Wilhemus à Brakel: soms geeft de Heere het vette te eten, maar ga er niet in op “gij lekkertant”, want voor je het weet is je smaak bedorven.
Heel praktisch, dit gebod. Hoe ga ik om met de welvaart, wat is delen, wat kan ik missen van mijn rijkdom, ben ik tevreden met een economie van het genoeg?
Vertrouwen, alleen op God - het mooiste maar ook het moeilijkste. Zet je hart niet op je vermogen. Gezegend, de man die de Heere vertrouwt. Als je veel hebt is dat moeilijk. De Heere Jezus leert dit te bidden, maar Hij heeft ook honger gehad., 40 dagen vasten in de woestijn. Ik weet dat niet. Hij zorgde voor het Avondeten voor 5000 mensen. Alle gij dorstigen komt hier, wie daarvan eet zal nimmermeer hongeren. Om op U alleen ons vertrouwen te zetten, ook als we gemeente zijn in de eindtijd. De ruiter op het zwarte paard. Prijzen van het voedsel opgekrikt, misoogsten, het zit er aan te komen. En ze aten en dronken en kochten en verkochten – God uit beeld verdwenen, een kenmerk van de eindtijd.
Hele praktische dingen vanavond, maar toch die diepere laag: Het brood des levens is Hij en de kruk met manna is een beeld wat alle overwinnaars zullen krijgen, nu moeten we ons druk maken eerst over een gevulde maag en oren die gaan luisteren en harten die vernieuwd worden. Die maaltijd heeft meer dan één functie. Ook in Licht op Zuid.
Boven hoeft niemand meer te bidden om brood, de stofwisseling zal daar ophouden, Gods kinderen zullen genieten van het verborgen manna. Daar geeft de Heere soms nu al een voorsmaak van, heel intiem. Eten van de vrucht van de boom des levens. Die lijn zie ik. Nu al een voorsmaak. Je komt na 8 uur les van school, je ruikt al buiten – wat ruikt dat lekker, dan krijg je trek. Je speeksel klieren gaan al werken, de geur alleen al. Even wachten nog – een stukje dan... maar niet meer. Oei wat lekker. Gaan we al eten?
God geeft wel eens een voorproefje. Om het verlangen naar Hem des te meer levendig te maken. Dat geve God.
Geef Heere dat onze ziele niet aan dit vergankelijk leven kleve
maar alles doet wat gij gebiedt en eindelijk eeuwig bij U leve!