Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2011-07-24 10:00:00 ds. H.J. Lam (Ridderkerk)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Psa 4:2,9 Psa 4 Luc 18:1-8 2011-07-24_1000.mp3 (Hele dienst CD kwaliteit, 48kPro, 63.8Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Psalm 3 is een morgenlied, Psalm 4 wordt vaak gezien als een avondlied. Dat heeft vooral te maken met de zin ‘Ik zal in vrede slapen’. Benedictus schreef in zijn kloosterorde voor dat elke dag moest worden afgesloten met deze Psalm. Psalm 4 bemoedigt en brengt tot rust, ook als je belaagd wordt en onrustig bent.

(vs. 2) We weten niet precies wanneer Psalm 4 gedicht is, maar het is vaak voorgekomen dat David klem zat door eigen of andermans schuld. Dan ging hij naar God. De verhouding tussen God en mens is geen rustig kabbelend beekje, maar een woeste bruisende stroom. Vandaar dat hier staat: ‘Als ik roep!’ Dat is herkenbaar: ook wij kunnen soms roepen tot God. Maar hoe intens is ons verkeer met de hemel eigenlijk? Onze God hoort vaak zo bitter weinig van ons.

De christelijke gemeente hoort een roepende gemeente te zijn, anders is ze geen christelijke gemeente. Een christen hoort een roepende christen te zijn, anders is hij geen christen. Dat roepen moet wel gericht zijn op God: we moeten Hem laten weten wat ons dwarszit.

David zegt in deze psalm: ‘Verhoor mij!’ Dat is een gebiedende wijs, het is een bevel. Misschien is het niet beleefd, maar David kan niet alleen verder. God móet hem verhoren. David roffelt als het ware op de hemelpoort. Gods hoort niets liever dan gebonk op de hemelpoort. Ons gebeds- en geloofsleven is vaak te berustend en gelaten, maar Jezus zei: ‘Het Koninkrijk der hemelen wordt met geweld genomen.’ Zoals de geuzen van Willem van Oranje toestemming kregen om de stadspoort van Den Briel te rammen, zo hebben wij van Christuswege toestemming om de hemelpoort open te slaan. Dat zien we ook terug in de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter.

David noemt God ‘God van mijn gerechtigheid’. Dat is een unieke benaming voor God in de Bijbel. De enige keer dat iets soortgelijks voorkomt is als Jeremia zegt: ‘Zo zal men de Heere noemen ‘Heere van de gerechtigheid’. Luther zegt over deze tekst: ‘Zulke gerechtigheid, waar David het over heeft, is eigenlijk Gods gerechtigheid omdat Hij het geeft, maar tegelijk mijn gerechtigheid omdat ik hem dankbaar aanneem.’
Doen wij gerechtigheid? Vanbuiten lijkt dat misschien wel zo, maar vanbinnen zit het niet goed. Maar daar heeft God iets, alles aan gedaan.

In vers 4 staat ‘God heeft Zich een gunstgenoot afgezonderd’. Hier gaat het over Jezus: dankzij Hem wil God ons horen.

Waarom roept David eigenlijk tot God, en niet tot een ander? Omdat God voor hem ruimte heeft gemaakt (Rehoboth). We hebben ruimte nodig in ons leven, en God zorgt voor een vrije doorgang op ons soms moeilijke levenspad. Hierop pleit David. Dan is het niet opeens voorbij: een beroep op God doet niet ineens alle donkere wolken verdwijnen. Maar we kunnen niet verdrinken, want onder ons zijn Gods eeuwige armen.

En onze achtervolgers en belagers mogen we, net als David, de wacht aanzeggen (vs. 3, 5, 6). Veel mensen worden gekleineerd, hun eer wordt te schande gemaakt. Dat knaagt aan mensen, en zorgt ervoor dat ze niet meer weten kostbaar te zijn in Gods oog. Maar God zal horen als we roepen. Dat is geen wetenschap die we altijd op zak hebben, maar we krijgen die steeds weer in de bediening van Woord en sacrament.

David roept zijn tegenstanders op om berouw te tonen, om te sidderen en te vrezen. Dat zouden wij soms ook willen doen: onze tegenstanders oproepen om te sidderen en te vrezen. David wil dat ze recht staan tegenover God: zondig niet, breng offers en vertrouw op de Heere. Uit eigen ervaring weet David dat dat helpt.
Zou dat niet ook onze houding moeten zijn bij evangelisatie? Sidder, huiver en vertrouw op God? David laat hier al iets zien van liefde voor zijn vijanden, zoals zijn grote Zoon later zou prediken. Zo moeten wij ons ook gedragen.

Nog steeds vragen velen: ‘Wie zal ons het goede doen zien?’ (vs. 7). Als de kerk dat overduidelijk in de aanbieding zou hebben, zou dat trekken. Wij hebben meer te bieden dan gezondheid en welvaart: wij hebben Gods zegen!

Het licht van Gods aangezicht hebben wij ook nodig in ons eigen hart, gezin en gemeente. Met zo’n gebed op de lippen kunnen we gaan rusten, net als David. Dan welt dank op in zijn hart (vs. 8). Hij ervaart meer vreugde dan in de oogsttijd: een vreugde omdat hij Gods gunstgenoot mag zijn (vs. 9). Zo kan David rustig inslapen. Kunnen wij dat ook vanavond? Omdat we weten dat God over ons waakt? De Hernhutters hadden een prachtig avondlied:

Laat mij slapend op U wachten,
o, dan slaap ik zo gerust;
geef mij heilige gedachten
en wees in de droom mijn lust.
’t Lichaam slaapt, maar ’t harte waakt,
daar het zich in U vermaakt.
Mag ik dicht bij Jezus wezen,
o dan slaap ik zonder vrezen.

Dat is geen grootspraak of romantiek, maar het is te danken aan Gods trouw. We mogen ons met ons hele hebben en houden aan Hem toevertrouwen, want Hij waakt over ons. Eens, aan het eind van ons leven, komt de laatste avond. Dan zal God ons innig en liefdevol toevoegen: ‘Ga maar voorgoed slapen.’ Dan leggen anderen ons te rusten in de schoot der aarde. Kunnen wij ook dit lied zingen?

Eens, aan de avond van mijn leven
Breng ik, van zorg en strijden moe,
Voor elke dag mij hier gegeven
U hoger, reiner loflied toe.

Edit