Edit|
EditReeks Samenvatting:
Het visioen begint bij Hoofdstuk 8, daar beginnen we ook.
Bestaat God wel? Of houden we elkaar voor de gek. Waar is Hij dan? Wat merk ik van Hem tegenwoordig? In de kerk, in mijn leven, en wat moet ik daar van denken? In Jerzualem merken ze niets meer, zo denkt men. Ezechiël zit in de ballingschap. Maar we zijn hier in Gods stad, of is dat zo? Terwijl zijn huis vol is, de oudsten van de ballingen uit Juda zijn op visite. Dan moet hij mee – de Heere grijpt hem bij de haren...
Hij wordt de Noordpoort binnengeleid, hij schrikt op de drempel. Even niet kijken – een afgodsbeeld. Alleen dit beeld al. Trek door het midden van de stad. Mensenkind, kijk eens goed en zie het in alle heftigheid onder ogen. Het duurt niet lang meer. Manasse zal dit beeld hebben neergezet. Met een altaar. In v7 ziet Ezechiël ook een gat in de muur, een deur erachter, een ruimte met afbeeldingen, afgoden. 70 oudsten zijn hier en brengen hier reukoffers. Is het vreemd: 'trek door en spaar niemand'...? De Heere heeft het land verlaten en ziet ons niet, denken ze. Niet openlijk, niemand hoeft het te zien, wat wij er allemaal voor verslaving op na houden. Waar is God? Zou Hij nog wat met Nederland te maken willen hebben? Dus – Hij ziet ons toch niet meer.
De vrouwen doen mee, v14. Talmoez wordt beweend, een droogteperiode, half juni. Er is meer, in het voorhof. 25 man buigen zich voor de zon. Juist op deze plaats. En het is het topje van de ijsberg.
Is God er dan nog? Wat merk ik nog van Hem? Eigenlijk niets.
Zo eindigt H8.
We zien wat de Heere roept in H9, dat is geen willekeur. Hij heeft er alle reden voor – trek door de stad en doodt. En ontzie niemand. Ezechiël had ervan gehoord, maar nu krijgt hij het te zien. Het wordt tijd voor het oordeel. De maat van Gods geduld raakt kennelijk een keer vol, gemeente... Daar houden wij misschien te weinig rekening mee. Het aanbidden van de maan en zon, doen we niet meer - nou ja... er is zo veel dat onze aandacht vraagt... en God, is Hij er dan ook nog? Of heeft hij ons land ook al verlaten? Dan ziet Hij ons toch niet.
Voor de vorm, natuurlijk, we gaan naar de kerk. Stel je voor dat Hij wel bestaat, dan kunnen we nog wat goedmaken. Kansberekeningen ten spijt – het kan zo maar Gods tijd zijn. Trek door!
Hoe zit het met onze afgoden? Had u die niet? Verslavingen, wat de wereld niet te koop aanbiedt, games, film, op occult terrein, muziek. Wereldberoemde rapper – die moet je toch wel kennen? Kent onze opvoeding nog iets grotere gebreken? Zijn we drukker bezig met van alles dan met God? Is God er dan nog? Wij hebben onze eigen helden. Je favorieten van Internet Explorer of de muren van onze slaapkamer. De bekendheden van 2011. Wie hoor je nog getuigen van die ene Naam? Waardoor wij moeten zalig worden. Geen vrijblijvendheid. Wie hoor je daar nog over. Wie is er daar nu nog vol van? Zodat de mond er van overloopt.
Jezus Christus – is Die er dan ook nog? Je hoort Zijn naam heel vaak – wereldberoemd, als vloek. Gods tijdmaat loopt maar voller en voller... God ziet ons door en door.
Worden we daar onrustig van als we ons leven overzien? God doorziet mij? Laat het een heilige onrust zijn, die ons uitdrijft naar Gods rust.
God is er, en Hij ziet ons ook, en dat mag tot troost zijn. Zes man worden erop uitgestuurd, maar er is een Zevende. Een rest is er. Geen opvallende groep, de stillen in den lande. Geen machtsvertoon, geen christenen met de borst vooruit. Maar de band met de Heer is bewaard, bestempeld door Hem. Maar het oordeel gaat door. Als de meerderheid zo denkt – Hij is er niet. Opeens dan is Hij er wel. Het is de taak van het Lam (Open 6) om te oordelen. Houden we er rekening mee?
Ach Heere, Heere zult u dan ook het overblijfsel verdelgen? Is er niet alle reden om dat uit te roepen?
Zie de Man met het linnen kleed. De Zevende Man. Hij maakt het getal vol. Hij brengt tekens aan op voorhoofden van mensen, die zuchten, de lijden aan de kerk. Die riepen tot de hemel vanwege alle goddeloosheid onder Gods verbondsvolk. Richting de Heere waren ze niet stil. Voorbidders gevraagd. Tekenend voor ware gelovigen. Wij brengen met kracht of geweld niemand tot gehoorzaamheid, voorbede gevraagd. Een geestelijk werk. Voor de wereld, ons volk, onze kerk, ons gemeente zijn. Hoe zit dat met ons geloofsleven?
Of het verhoord wordt, dat is aan God. Het kan wel eens tijd zijn voor Zijn oordeel. In Amos lezen we dat Gods Zijn oordeel op het gebed intrekt, wij weten niet waar de grenzen van Gods geduld liggen. Maar wel dat God mensen wil behouden voor het eeuwige leven, vanwege een andere voorbede. Van Hem, die het voor ons wilde opnemen. En Hij bidt nog steeds.
Daar wordt onze levens op gericht. Zie het Lam. Hij bidt. Nog steeds en steeds maar weer. Vader, vergeef het hun, door Mijn bloed. Zien we de lijnen lopen in de schrift, eerst terug, je denkt aan de uittocht, de verderfengel ging voorbij aan de posten met een teken. Als men maar binnen bleef, achter het bloed. Binnen het verbondsvolk. De scheiding gaat er hier dwars doorheen, dat is heftig...
In Open 7 moeten vier engelen gaan om de oordelen uit te voeren, een 5e zegt: ik heb het zegel van de levende God. Die moeten de ware gelovigen ontvangen aan hun voorhoofd.
We hoeven voor een ding geen angst te hebben, de oordelen treffen ons niet, voor een eeuwige ondergang zijn we bewaard. Als we maar getekend zijn met het teken van Gods genade. Zijn Zegel, in Christus inkt. Stempelt dat ons leven? Zo wil de Heilige Geest door het woord ons leven nog steeds verzegelen. Daarom zijn we hier onder de bediening van de verzoening. Hij wil niet dat iemand verloren ga. Daarom de troost uit Ezechiël 9. De Heere wil ons laten schuilen achter het Lam, op grond van Zijn voorbede. Alles ligt in Christus.
Zeker weten – ik mag van Hem zijn, duur gekocht met Zijn bloed. Daarom voor eeuwig beschermd. En ik zag en zien (Open 14) het Lam stond op de berg Zion en ik hoorde 144.000 – alweer een vol getal. Allemaal iets op hun voorhoofd – de naam van Zijn Vader. Kijken we daar in mee? Gods openbaring vanavond. Zien we het? Zien we onszelf daar tussen staan? Wat een genade. Die koker met inkt – hij blijft maar inkt, bloed gegeven. Zijn eigen naam wordt geschreven. Op voorhoofden van gevallen mensen.
De uitwerking van Gods rijke verbondsbelofte. Ons hoofd door Hem gestempeld. Dit is mijn enige troost. Heel mijn hebben en houden, het eigendom van mijn Zaligmaker te zijn, verzekerd door de Heilige Geest ,dat wij kinderen van God zijn. Wat een troost, wat een genade, gemeente, dat Hij ons zo wil adopteren.
Het oordeel - dat komt er aan. Die zes man, komen er achteraan. Door het oordeel heen toch veilig, alleen op die manier.
Denken dat Hij je niet ziet, oordeelt je alleen maar erger – wee u Betsaïda, want je hebt het geweten. De heidenen hadden het geloofd! Daarom juist, schuilen achter de inkt van Christus. Dat is de geloofspraktijk. Wat een genade, wat een troost.
Buiten Hem leven, dat wil je toch niet meer? Vertrouwen op Zijn borgwerk, dat alleen geeft uitzicht. Met het bloed van het Lam, kan Gods Vadernaam zelfs weer op mijn voorhoofd geschreven staan. Gode zij alle dank in de eeuwigheid in alle volheid. Door het Lam.