Edit|
EditReeks Samenvatting:
Wij gaan voor goud, we gaan voor God. Fil 3:14 een ding doe ik vergetend wat achter mij is, ik jaag naar het doel. Paulus denkt aan een topsporter die in de startblokken staat en weg wil schieten. Een beeld uit de sport. Hij gebruikt het vrijmoedig. Iedereen kon zich daar wel iets bij voorstellen – de Olympische spelen waren al 7 eeuwen bezig en het duurde nog drie eeuwen voor ze afgeschaft werden, omdat ze te heidens waren om te kerstenen.
Elke topsporter gaat voor goud – Paulus zit zelf in de gevangenis. Ik jaag naar het doel. Paulus was er blijkbaar zelf ook nog niet. Geen gearriveerd christen. Hij was nog onderweg. Het doel was een lauwerkrans, gevlochten. Wie het eerst die aanraakte had gewonnen. Ik jaag naar het doel.
1
Je bereikt dat doel niet als je een valse start maakt. Dat had Paulus gedaan, een vervolger van de gemeente van Christus, een geweldige ijver maar de verkeerde kant op. Hij dacht God een dienst te bewijzen, maar ging lijnrecht tegen Zijn bedoeling in. Christus riep hem een halt toe en spande hem voor Zijn zegekar. Al het andere is vuilnis. Alles wat hij belangrijk achtte, dat moest hij leren inzien, dat was drek.
Een goede start is dus belangrijk. De prijs van de roeping van God, God roept je dus, voor een goede start.
Weet u iets van die roeping, in de Bijbel, een gesprek, heb je die stem van God gehoord, in de tekenen van het koninkrijk, spreekt God ook u aan – en dat u zegt Heere hier ben ik? De Heere wil niets liever dan dat.
Dat is geloof, dat is wedergeboorte, dat je er achter komt: Heere U bent mijn doel. Het doel, waarvan Christus heeft gezegd, ik heb het doel gebereikt – het is volbracht, 'tetelestai', het doel: 'telos'.
Omdat Christus voor ons bidt, komen we bij de eindstreep.
Hoe kom je achter dat verschil – niet door te denken, ik zit in de kerk, dus ik heb een goede start gemaakt – nu heb ik het onderhand wel een beetje verdiend. Steeds weer bekering – ik ben op het goede spoor doordat God me daarop roept en me bekwaam maakt.
2
Vergeet wat achter je is – dat hoort bij het jagen naar het doel voor je. Op het moment van de start moet je niet denken aan alle keren dat je verloren hebt of aan de problemen die je hebt met de buurt of je gezin, dat je een scheve schaats hebt gereden. Nee het verleden vergeten. Je kunt alleen maar jagen naar dat doel als je ook weet van de vergeving van de zonden. Als je weet dat God jouw rugzak meegenomen heeft naar het kruis van Christus.
Voor Paulus was dat veel, wat hij vergeten moest. Hij vindt zich zelf de grootste zondaar, hij had veel te boeten. Maar als hij door Christus is gegrepen kan hij wat in het verleden was, loslaten. Een ding doe ik. Je moet leren wat ondergeschikt is aan het Koninkrijk. Richt je op het doel van God met jouw leven. Lukt dat bij u? Hier in de stad gebeurt toch het een en ander? Van alles scheef en scheve schaatsen, wat zit er veel verkeerd in allerlei verleden. U denkt toch niet dat u met dat verleden op uw rug naar het doel kunt jagen? Vergeef mij de schuld, Amen – en heb je het toen weer opgepakt? Met een last kun je niet rennen. Lichte kleding, alles gestroomlijnd, opdat hij het doel mag bereiken. Leven van de doop en niet doping. Van één Christus.
Ben ik niet wat optimistisch? Er trekt zo veel aan me. Zelfs in de vakantie – wat minder te doen – er zijn toch zo veel stemmen buiten en in ons. Wie lukt het om op dat ene gericht te zijn. Lukt het u? Mij vaak niet, eerlijk gezegd. Dat valt u misschien tegen – maar het is het leven met Christus dat je dat erkent, dat het helemaal niet makkelijk is, om op dat ene doel te jagen.
Opnieuw weer op dat doel gericht te worden – ik ben wel een kind van God, maar ik ben o zo gauw afgeleid...
3 Een christen is per definitie gericht op de toekomst – progressief in de goede zin, je gaat vooruit van kracht tot kracht. Het verleden moet je niet meetillen. Dat vraagt nogal wat – je waardeert je traditie, het spoor dat God heeft getrokken door Zijn Woord en Geest, maar je moet gericht zijn op dat ene doel van God dat vraagt voortdurend om bekering en dat doet pijn. Kerkstrijd en kerkpijn. Dat is heftiger dan kiespijn. Je leid er aan dat sommigen van je medekerkgangers niet op dat ene doel gericht zijn.
Wat is dat doel? De prijs van de roeping van God. Je doelt het voor die prijs, je gaat voor goud. Geld, maar vaak ook roem. Christus Jezus – Hij is ons doel. Wie kan er een doel bereiken zonder Hem. In Hem zijn we meer dan overwinnaar. Je gelooft het, maar je voelt het zo nog lang altijd niet. En toch onderwijst de Schrift ons; wie in Christus is, in Hem gelooft, is een nieuwe schepping, is reeds volmaakt, is reeds gerechtvaardigd en tegelijk zegt Paulus, heel spannend – niet dat ik het al verkregen heb, maar ik jaag ernaar...
Wat ik in Christus heb mogen ontvangen dat heb ik, maar tegelijkertijd niet. Geestelijk volwassen, volmaakt zijn – Paulus hinkt voortdurend op twee gedachten en dat krijg je nooit gladgestreken in een dogmatiek.
Ik ben gegrepen en ik grijp ernaar. Herkent u iets van die spanning in uw geloofsleven? – zalig rusten op Gods lauweren en tegelijk zet Hij ons op het spoor om ernaar te jagen. Dat begrijp ik niet, maar je moet de spanning laten staan. Christus alleen – Hij brengt al ons heil tot stand.
Niet onderweg blijven steken en niet denken dat ik er al ben. Ik weet niet hoe dat met u zit – u bent een van de weinigen die twee keer naar de kerk gaat. U doet uw best. Je doet een heleboel. Zo zal het ook wel goed komen – denk je misschien wel. Het gevaar is groot. Dat is niet voldoende – Paulus legt een doorn in ons warme nestje. Jaag je er wel naar? Ben je wel ijverig genoeg. Een groot gevaar in onze tijd – onverschilligheid. Ach het zal wel goed komen. God is toch genadig? Paulus geeft geen ruimte voor dat soort gearriveerdheid.
Hij jaagt ons op en laat ons niet rustig zitten. Voorwaarts, voorwaarts tot het einde. U bent er nog niet – het koninkrijk is er nog niet. De ellende lijkt eerder toe te nemen dan af te nemen. Ik zal het doel bereiken. God vraagt dat ik me helemaal toewijd. Ik verlang naar dat ene doel. De volmaaktheid, dat Christus alles en in allen is, dat Hij mij helemaal doordrenkt en dat er geen zondige gedachte binnen kan komen. Verlang ik ook naar dat doel? Dat je zonder zonde en al die ruis op de lijn, al die gebrokenheid, onrechtvaardigheid, grote verschillen tussen arm en rijk, mensen die het maken en die er niets van maken, laat je richten op dat ene doel.
Onze prijs is een onvergankelijke prijs, het onvergankelijke leven beërven, de koning te rijk zijn, Hem kennen en de kracht van Zijn opstanding. Nooit zal het oude en vleselijke en zondige er meer tussen komen. Zo roep ik u en mezelf toe vanmiddag, laten we voortgaan op de weg naar dat doel.
Ik jaag naar dat doel – zegt u mij dat met Pausul na? Ik weet dat Mijn Verlosser leeft en ik zoek hem dagelijks, alles valt me tegen, maar een ding doe ik, vergetend de dingen …. – ik ben doelgericht en daarom heeft mijn leven ook zin. En dan kan ik vrijmoedig getuigen. Hij is mijn doel.