Edit|
EditReeks Samenvatting:
Het leven van een christen gaat niet over rozen – in de wereld zult u verdrukking hebben, maar die heb Ik overwonnen. Beide heeft Johannes ervaren. Medegenoot in de verdrukking noemt hij zich. Patmos is een klein eilandje tussen Turkije en Griekenland, zo groot als Schiermonikoog. Hij raakt in geestesvervoering, op de dag van de Heere, de opstandingsdag. Of de toekomstige dag des Heeren, Christus's wederkomst. Naar de oudtestamentische betekenis, de dag van de Heere. Tot heil van Israël en de gelovigen uit de wereld, de dag des Heeren komt als een dief in de nacht, zegt Paulus bijv. Joël: de grote en ontzagwekkende dag des Heeren.
Hoe het zij, Johannes ziet en hoort dingen die ontzagwekkend zijn. Een stem als een bazuin hoort hij achter zich. De Alfa en Omega. Op een boekrol moet hij het schrijven en opsturen.
Zeven gouden kandelaren, en iemand die op een mensenzoon lijkt, iemand die een mens gelijk is. Zo sprak God Ezechiël aan toen Hij hem riep tot profeet, mensenkind, of mens dus. Maar dit mensenkind is niet zo maar een mens. In Daniel is het de omschrijving van de Messias. Sedert hem is dat een van de aanduidingen van de Messias gebleven. Zo noemt de Heere Jezus zich ook, op aarde.
Johannes herkent Hem niet, want hij kent Hem zo niet. Koninklijk gewaad, Zijn haren, hoofd zijn zo wit, Johannes' ogen doen pijn. Zijn ogen zijn als vuurvlammen, een stem als een bazuin, een grote waterval, zeven sterren in Zijn hand, uit Zijn mond komt een zwaard. Dat grijpt Johannes zo aan, dat hij niet kan blijven staan. Een bijna dodelijke uitwerking heeft het. De profeten reageerden ook zo. Hij zal zo ooit aan ons verschijnen. Elk oog zal Hem zien. Een verschrikking voor ieder die het evangelie ongehoorzaam zal zijn gebleven.
Maar vooraf zal de wereld worden bezocht met Zijn oordelen, opdat allen gered zouden worden. Dat is het doel.
De zeven gemeente van Klein Azië, de kerk van die dagen worden uitgebeeld in de zeven kandelaren. Velen hinken op twee gedachten. Of verachterd zijn in hun geloofsleven of lauw zijn geworden. We zien het allemaal in de brieven aan die gemeenten. Met steeds de oproep: bekeert u. Het oordeel begint bij het huis van God. En het gaat vooraf aan de beschrijving van de oordelen over de onboetvaardige wereld. Zijn kerk moet gezuiverd, Zijn ogen als een vuurvlam. Het verkeerde is voor Hem niet verborgen. Alles wat er tussen Hem en ons in is komen te staan moet weg.
Een tweesnijdend zwaard. Wie kan dan bestaan. Johannes niet, vindt hij. Als we onszelf zien en Zijn hoogheid en heiligheid zien, kunnen we niet bestaan. Alleen zij die zich aan Hem hebben toevertrouwd, daarvoor geldt; die ons liefheeft en ons van onze zonde heeft bevrijd. Dan heb je niets te vrezen.
Johannes dacht te zijn uitgeschakeld, maar de Heere schakelt Hem weer in. Hij zal openbaren wat er te wachten staat. Apokalyps – open en bloot wordt het gemaakt. Kaluma, zit er in – daar bedekte Mozes zijn gezicht mee.
Het gaat om dingen die spoedig moeten geschieden. Wij moeten er op zijn voorbereid, het lijkt soms wel of we er al midden in zitten.
De hand die Hij uitstrekt naar Johannes daar genas Hij ook zieken mee, Hij kon volstaan met spreken. Maar Hij deed het vanwege Zijn bewogenheid met hen. Met die hand is Hij aan het kruis genageld geweest. Met ontferming over Hem is Hij bewogen. Hij heeft hem lief. Hij wil niet dat Joh als de dood voor Hem is. Wees niet bang.
Wij dan, onbevreesd – dat kan alleen als we ons geheel en al aan Hem hebben overgegeven of dat nog zullen doen, en hoe langer hoe meer doen. Blij u komst verbeiden, in stil vertrouwen. Met opgeheven hoofd uit de hemel verwachten.
Met ontzag vervuld zijn voor Hem is niet verkeerd, als het een kinderlijk gezag is. Hij is onze oudste broer.
Zo kende Johannes Hem niet - een leer moment, nu heeft Hij deze uitstraling. Wij moeten niet terugschrikken voor Zijn hoogheid, want niemand heeft ons liever dan Jezus Christus.
Hij legt Zijn hand op Johannes. Wees niet bang, Ik ben de eerste en de laatste, levende. Ik heb de sleutels van het rijk van de dood zelf. De eerste en laatste Jes 44 – zo openbaart God zich ook. En daarmee zegt Hij ook God te zijn. Hij is niemand minder dan ook God zelf. De levende werd een dode. Hoe kan dat? Hij die niet sterven kan? Die het leven heeft in Zich zelf en het leven geeft - doordat Hij ook mens is geworden.
In dood en opstanding is een bron van troost en heil voor allen die in Hem geloven.
Je hoeft niet te sterven (als dood neervallen), want Ik ben levend, Johannes. Vrees niet voor Mij en dus ook niet voor de doden, andere moeilijke dingen die op je weg komen.
Hoe erg is het te vallen in de handen van de levende God – maar de Heere Jezus heeft de sleutels van de dood en het rijk van de dood. Het gebied waarover de dood als machthebber heerst. Hij bepaalt wie daaruit zullen opstaan – de maatstaf: het geloof in Hem. Joh3 wie in de Zoon gelooft wordt niet geoordeeld, maar wie niet in hem geloofd, die is reeds veroordeelt, omdat Hij niet heeft geloofd in de naam van de Eniggeboren zoon van God.
Laten we ons daarom daar op toeleggen – het geloof in Hem. Om ons steeds meer aan de Heere Jezus over te geven. We worden niet met het geloof geboren, maar Hij wil het graag geven.
Hij wil er om gevraagd worden – Hij wil het graag doen. We hebben Hem in alle dingen nodig. Heere vermeerder ons geloof. De Heilige Geest wil ons helpen om toe te eigenen wat wij in Christus hebben. Vergeving van zonden en het eeuwig leven. De doden zullen Zijn stem horen en ze zullen uitgaan tot het eeuwige leven of tot de eeuwige dood. Laat het dan nu komen van de overgave aan Hem, nu Hij zich weer openbaart als de Levende. Nu is het nog de dag der zaligheid, ga tot Hem en wordt behouden. Hij zal voor u de poorten van de hel en de dood sluiten, de deur van Zijn hemels koninkrijk openen, en u en jou onderweg bemoedigen als het nodig is, ook door te zeggen, door doop of HA dat u goede moed mag hebben, omdat Hij de wereld heeft overwonnen. Of d.m.v. woord of sacramentsbediening Zijn hand op u legt en zal zeggen: vrees niet, maar geloof alleen. Geef Hem de eer van uw behoud, dat Hij ook u liefgehad heeft en u en jou van jouw zonden heeft gewassen.
Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid.