Edit|
EditReeks Samenvatting:
1 een lofprijzing voor de strijd
2 een lofprijzing tijdens de strijd
3 een lofprijzing na de strijd
1
Een man wilde graag een ridder worden – hij moest een gelofte doen. Elke dag moest hij een lofzang zingen. Je kunt geen ridder worden zonder strijd, elke dag was er wel iets of iemand die hem de voet dwars zette. Hij dacht steeds aan zijn gelofte en zong een loflied en God lovend overwon hij telkens weer. Zo werd hij echt een ridder.
Zo is het met een geredde zondaar. Lid van de strijdende kerk – je komt elke dag wel tegenstand tegen – met een loflied word je moedig strijder en meer dan overwinnaar. 2Kron 20 is een sleutel hoofstuk over lofprijzing en overwinning. Een hoogtepunt. Gods genade.
Josafat was een van de weinige koningen in het Tweestammenrijk die deed wat goed was in de ogen des Heeren. Een voorvader van de Heere Jezus Christus. Hij was wel erg toegefelijk. Achab vroeg eens - ga je mee, gaan we strijden – hij had nee moeten zeggen. Ternauwernood gered, gewaarschuwd door de profeet. Zullen we goud gaan zoeken zegt een andere koning - weer met een goddeloze in zee. Op de bodem – en weer wordt hij gewaarschuwd. Voor de derde keer valt hij. Je gaat een ongelijk juk aan – zou je de goddeloze helpen en die de Heere haten, lief hebben?
Dan komt 2Kron. Ammonieten, Moabieten, Seïr – trokken op tegen hem. Juda willen ze van de kaart vegen. Josafat werd bevreesd – dit is de straf van de Heere.
Ook in onze tijd is de kerk aan de rand en hij moet eigenlijk over de rand. Strijd en bestrijding. Vers 3 – hij zette zijn zinnen er op om de Heere te zoeken. Mobiliseerde hij het leger? Nee, de inwoners worden in de tempel verzameld, in de voorhof. Ook de vrouwen en kinderen, alles komt bij elkaar. Allemaal zijn ze in gevaar. Indrukwekkend. Moeders met baby op de arm, peuter aan haar roken, vader met kleuter aan de hand, de hele jeugdvereniging, inclusief bestuur.
Ze vasten en ze zoeken de Heere in het gebed. Even geen koffie, we slaan de lunch over - we hebben wat belangrijkers te doen. Tot U die in de hemel zit. De koning bidt in het openbaar. Hij bidt een prachtig gebed. Heere, u bent de heerser over de heidenen. Ook nu ze komen. Regeerder van hemel en aarde. In Uw hand is kracht en sterkte. Als U zegt tot hier toe en niet verder, komen ze niet verder. Daar verwachten we het van. De trouw en de daden van God. De inwoners van Kanaän hebt U toch ook verdreven. Hij pleit op wie God is en op Zijn daden in het verleden.
Wel nu. Ze zijn naar ons toe gekomen, we zijn in benauwdheid – heel concreet. Vers 12 – in ons is geen kracht. Wij weten niet wat we moeten doen. Machteloze weetnieten. Onze ogen zijn op U. Smekende ogen, spiegels van de ziel. Die vijand wilde ze vermoorden. Maar ook verwachting.
Alleen tot U die in de hemel zit, hef ik mijn ogen op. Soms kun je niet meer bidden of danken, maar alleen nog maar omhoog kijken. Papa, zegt het ventje – het is oorlog hè, gaan we allemaal dood? Een weg is altijd open – de weg van het gebed. Heel Juda staat voor het aangezicht des Heeren, dat is een gebedstond!
Dan geeft de Heere antwoord. De Geest kwam op Jahaziël, aan nakomeling van Asaf, zodra Josafat amen zei. In het midden van de gemeente. Hoe ging dat? Een klein Pinksteren. Een onbekende, die instrument wordt van Gods Geest om dat woord van God door te geven aan die gemeente in nood. Weet u nog – de negen gaven van de Geest? Een woord van wijsheid krijgen en doorgeven, dat gebeurt hier. Die gemeente had dat toen daar nodig, mogen wij zo gezegend zijn – dat er mannen en vrouwen zijn, die zo close met God leven dat de Heere jou als instrument wil gebruiken om een ander of de hele gemeente te bemoedigen. Jahaziël verstond dat woord en gaf het door. “God ziet” betekent zijn naam. Jullie kijken omhoog, maar God ziet jullie wel! Wat je nodig hebt.
v15-16-17 Luister Juda en de koning. Luister. Dat is een profeet; dat mogen wij niet zo maar zeggen tegen de koningin. Niet ik denk, ik meen, ik voel – maar alzo zegt de Heere, rechtstreeks. Vrees niet, wees niet bang. Het is een grote menigte, maar wat zegt dat ten opzichte van God. God is niet onder de indruk. Wat een bemoediging, op grond van de belofte: de Heere strijdt voor u. Jullie hebben je zaak aan de Heere vertrouwd – nu zal Hij voor u strijden. Jullie moeten alleen maar kijken en zien het heil van de Heere. Wees niet bevreesd. Wat een bemoediging ook voor ons nu. Hoe het ook zal gaan – dankdag houden in het donker? Hoe het zal gaan onder een regeer accoord met secularisatie-wind – een afvallig Europa. De poorten der hel zullen de de gemeente nooit overwinnen. Al moeten we in een schuurtje samen komen – de zaak van koning Jezus kan er niet aan onderdoor gaan. Onze structuren misschien.
Morgen moeten jullie gewoon kijken en zien: het heil van de Heere. Josafat is een koning van geloof – want hoe reageert hij? De vijand rukt vast aan, snel. Ja – Jahaziël – wie zegt dat van de Geest is? Misschien komt het wel uit je eigen hart - bewijs maar eens dat het van de Heilige Geest is. Nee, hij gaat er geen vraagtekens achter zetten. Daar heb je geen tijd voor. Josafat kent de stem, van de Herder. Je voelt het aan, dat kun je niet altijd uitleggen.
Toen boog Josafat zich naar de aarde. Hij geloofde en gehoorzaamde. Wat een gelovige reactie op het woord van de Heilige Geest. En het volk doet het ook. De hele menigte gaat plat op de grond voor God. Zijn we bij een Moskee? Nee bij de Tempel in Jeruzalem. Aanbiddend gelovend wat de Heere bekend maakt. En de Levieten stonden op om de Heere te prijzen! De Levieten staan op en vormen een machtig koor - uit volle borst. Hier en daar staan er Levieten. Daar vind aanbidding plaats door de lichamen van de mensen en lofprijzing door de Levieten - eerbiedig en uitbundig. Alle twee. Het zit niet in de volumeknop, of het aantal decibels, maar het hart. De vijand komt dichter bij en het volk is niet bang, maar aanbidt.
Is dat niet te vroeg gejuicht? De beer is nog niet geschoten. Het woord is nog niet in vervulling gegaan. Een levend geloof zegt – de belofte is vast en zeker. Zekerder dan zeker – ga maar alvast danken. Een woord van de Heere, dat iemand beter zou worden – ga maar vast danken. Geloven en loven hoort bij elkaar.
De aanleiding voor de 'praise' is een belofte van God. Voor de strijd begint staat de overwinning al vast. Zalig die niet zien en toch geloven.
2
Het volk stond in de woestijn. Ze zijn gehoorzaam – hoe zijn ze gegaan? De soldaten moesten bewapend. Pijlen en zwaard, toegerust, ze moesten alleen maar staan en kijken. Probeer het in te denken. Ze marcheren een overmachtige vijand tegemoet. Het rijk van het licht en de duisternis. Ze mogen hun wapens niet gebruiken. Niet eenzaam gaan we op de vijand aan. Wat nu als ze aankomen stormen met blinkende zwaarden en strijdkreet. Een aantal zullen gebeefd hebben en gebeden – Heere het is toch wel echt waar – anderen hebben er op berust. Josafat was een wijze koning, hij bemoedigde ze.
v20 Luister naar mij Juda - vertrouw de Heere, geloof zijn profeet, dan zul je voorspoedig zijn. Gisteren was hij een voorbidder en nu zien we dat hij het volk bemoedigt. Blijf op God vertrouwen. Amen – vast en zeker, klamp je er aan vast. Hij gaf het volk raad.
v21. Geen oorlogstactiek, maar geloof: hij stelde zangers aan – voor de soldaten uit een Levieten koor, met witte kleren aan. De strijders achteraan! Ze zangers voorop. Laat een loflied op je lippen zijn, een tweesnijdend zwaard in je hand. Zwaard van het woord.
Wat zingen ze – een smeekgebed? Een klaagzang – nee een loflied. Ze geloven zo vast dat ze nu alvast gaan loven. Niet na de overwinning, maar in oorlogstijd. Dat is geloven. Niet pas juichen als er gescoord is. Want ze hebben het in de belofte.
Een geestelijke strijd wordt gestreden en het belangrijkste wapen is lofprijzing, aanbidding – we zien het ook bij de muren van Jericho. Ze juichten niet nadat de muren omgevallen waren – maar door het gejuich vielen ze om. Wie lof offert, eert God, daardoor gaat God een weg banen waar Hij Zijn heil, Zijn redding laat zien. Dat zien we bij de Heere Jezus: nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen ze naar de Olijfberg. Paulus en Silas in de gevangenis. Hoe komt het evangelie in Europa – afgeranseld en in een stikdonkere kerker – ze baden en ze kregen zo'n vastigheid. Ze gingen lofprijzen. De kerk in Europa begon met een aardbeving – omdat twee knechten 's nachts God zaten groot te maken. Dat danken doen we niet na het eten, ook voor het eten. maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; niet danken achteraf, maar vooraf. Ik heb een probleem Here, dit zijn ze – en ik dank U dat U er iets aan gaat doen, op Uw manier - gelukkig niet op de mijne.
v22 'juist op die tijd', dat ze begonnen met gejuich, legde de Heere hinderlagen tegen de Amorieten. Vlak voor de eindstrijd is het doodstil. Wie zal er gaan sneuvelen, welk leger zal winnen? In menig hart stijgt een gebed op. En wat moet die vijand hebben gedacht? Witte hemden? Geen bewapening... en ze beginnen het loflied aan te heffen. Vriend en vijand hoort het. Het wordt gescandeerd – loof de Heere, want Hij is goed. Uit volle borst; het weerkaatst tegen de bergwanden. God hoort het ook en Hij reageert er direct op.
Een geest van verwarring onder die drie vijanden en ze bestrijden elkaar. Bij de wachttoren is het volk – ze hoeven niet te vechten – ze kijken - ze zien duizenden dode lichamen liggen – ze hoeven alleen de buit binnen te halen.
Rom 8: Niets zal ons scheiden van de liefde van Christus – in Christus meer dan overwinnaar – door Hem die ons heeft liefgehad. Steker in Uw kracht, gerust in Uw bescherming – toch rijst in mij een lied van overwinning – Gij voert de strijd - het is Uw zaak.
3
De lofprijzing na de strijd – v25-30. Drie dagen lang - wat een kolossale buit. Juda weg – een makkie en we gaan daar wonen, was het plan – ze hadden veel bij zich! Ik moest denken – de Heere doet ver boven bidden en boven denken – gisteren hadden ze gevraagd om redding – de Heere had geantwoord – niet allen redding maar ook een geweldig buit. Zo mild zo overvloedig. Ze werden van die invasie alleen maar beter. Geestelijke bestrijdingen – je kunt er benauwd onder zijn – je wordt er alleen maar beter van – Hij geeft meer dan waar je voor bidt. Ze namen alles mee – ringen – opa dat is een mooie ring- hoe komt u er aan – dan kun je vertellen over die machtige overwinning, een zichtbare herinnering. Mooi als je dat in je huis hebt, een voorwerp waar je een verhaal bij kan vertellen.
v26 Op de vierde kwam men in het dal van de lofprijzing. Dat moetje niet vergeten, om te danken. Ze hebben met elkaar gebeden, dan ook danken – alles bijeen. De diepgang - hij wist: de vijand was een straf van God op mijn slapheid. Ik heb het zo verbeurd en dan toch gekregen, dat geeft diepte aan die dank. En dan zo overvloedig. Dat wordt een lofprijzing.. het dal is er naar vernoemd. Wie gaat er nu zo'n dor gebied zo'n naam geven – nou dat kwam zo.... Phil Pot schreef Door Baka's valei, door het tranendal, ik ken geen dagboek “Door het dal van de Lofprijzingen”..
Dan gaan ze weer naar de tempel. Beladen met buit, de Heere had hen verblijd over hun vijanden - en met allerlei muziek instrumenten. Is dit niet wat overdreven? Als je vanuit je onwaardigheid zo beregend wordt door Gods zegeningen, dan ga je je dak uit. Niet oppervlakkig, maar met een vreugde die God geeft.
Dankdag 2012 dat ik zo'n ridder mag zijn, die elke dag strijd meemaakt, maar elke dag een lied te zingt,
En mijn hart, wat mij moog' treffen,
Tot den God mijns levens heffen.