Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2012-11-25 10:00:00
ds. S.J. van der Vlies (Rotterdam)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Jacobus 2:14-26 Gen 15:1-6 Gen 22:1-12 Jac 2:14-26

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Ik neem u even mee naar een kerk in Rusland. Voor in de kerk staan zeven grote Russische kerels. Ze gaan in deze dienst belijdenis doen. In Rusland zijn veel mensen verslaafd aan alcohol. In deze gemeente hadden ze een mannenhuis, waar mannen geholpen werden om van hun verslaving af te komen. Ze hoorden er ook het evangelie. Zij spraken voordat zij hun belijdenis aflegden een getuigenis uit. Ze getuigden hoe zij van hun verslaving afgekomen waren. Eén ding was nieuw voor mij: elke man had iemand meegenomen die zijn getuigenis bevestigde. Die bevestigde dat diegene echt christen was geworden en die vertelde wat hij daarvan gemerkt had.

Stel dat wij ook eens een getuige mee moesten nemen die ons getuigenis of onze belijdenis zou moeten kunnen bevestigen. Iemand uit de familie, iemand uit uw vriendenkring of misschien een buurman of -vrouw, uw collega. Wat zou diegene over u vertellen?

Daar gaat het over in Jacobus 2. Over de werken. Hij zegt: de kwaliteit van je geloof kun je aflezen aan hoe jij je gedraagt. Wij zijn vaak geneigd om naar iets van God of geloof te gaan zoeken in onszelf. Kijk maar gewoon naar je dagelijks leven, dat zegt veel meer.

De brief van Jacobus is door heel veel gemeenten gelezen, door christenen uit de Joden en ook uit de heidenen, en nu lezen wij hem. Het gaat over het praktisch maken van het geloof.

Hoe ziet een waar geloof van een christen er aan de buitenkant nu uit?

1. Ze gaan zonder aanzien des persoons met elkaar om. Er wordt niet gerommeld. We zijn barmhartig tegenover elkaar. We weten dat God ons met dezelfde maat meet als waarmee wij zelf meten. Zij zijn barmhartig als zij spreken over anderen.

2. Jacobus stelt een vraag: wat voor nut heeft het als het geloof niet blijkt uit de werken? Welk geloof kan ons eigenlijk zalig maken? Wat heb je aan geloof als het niet zichtbaar is in je leven? Stelt dat er iemand in de kerk is die niet goed rond kan komen. Hij kan geen nieuwe wasmachine kopen als die stuk is of hij spreekt de taal niet. Wij heten hem hartelijk welkom, geven hem een kopje koffie en laten hem weer naar huis gaan. Wat schiet je zelf en wat schiet de ander er dan mee op? Jij hebt er niks aan, maar ook de ander niet. Als het geloof geen werken heeft, dan is het in zichzelf dood. Dat klinkt ons scherp in de oren, bijna katholiek. Het gaat hierbij om een oordeel. Een geloof zonder werken kan ons niet zalig maken. Jacobus zegt:het gaat om je werken van barmhartigheid. Als je die niet kunt koppelen met je geloof, dan heeft het geen nut.

In welke mate vertaal jij je geloof naar je dagelijks leven? Als dat niet zichtbaar is, dan stelt je geloof niets voor, zegt Jacobus. Wat stelt mijn geloof voor? Hoeveel werken van barmhartigheid werk ik? Zou dat voldoende zijn voor het oordeel? Denk nog even aan die Russische mannen in de kerk.....Wie zou u meenemen om over u te getuigen? Als het geloof zich niet vertaalt in werken, heb je er niks aan in het oordeel, en de ander niet in de praktijk van het dagelijks leven.

Jacobus voert nu iemand op (vers 18 en 19), die mee gaat doen in het gesprek. Er is één God en we hebben 10 geboden, maar dat is eigenlijk 1 gebod. Die geboden zijn net zo goed één als God één is.

Jacobus zegt:het is mooi dat je dat gelooft, maar dat doen de demonen ook. Maar dat is op zichzelf nog niet zo bijzonder. Heel veel mensen geloven in God en geloven dat Hij één is, maar dat doet de duivel ook. Stel je niet gerust met een geloof in God, want wie weet zit je nog maar op het niveau waarop de duivel ook zit.

Ook vandaag zijn er mensen die geloven in God op de manier van de duivel. Wat is dan het verschil tussen het geloof van de demonen en het geloof van een christen. Dat zit 'm nu juist in het tweede gedeelte. De demonen geloven en zij sidderen. Zij doen er verder niks mee. Bij een christen zul je altijd zien dat dat geloof zich vertaalt in werken. Haast automatisch. Dat is zo'n eenheid. Christen zijne mensen die barmhartig zijn. Dat weet je ook van jezelf. Als iemand tot geloof komt, dan moet je dat kunnen zien. Geloven en werken hoort bij elkaar zoals ademen en leven.

3. Jacobus gaat nu voorbeelden geven van mensen bij wie geloof en werken wèl samen ging. Hij noemt twee heel verschillende mensen. Abraham en Rachab de hoer. Ik beperk me nu tot Abraham, waarover we gelezen hebben. Abraham vertaalt zijn geloof in zijn bereidwilligheid om zijn zoon Izak te offeren. De werken maken zijn geloof af, vol. In vers 24 trekt hij weer een conclusie. U ziet nu dat de mens ook uit de werken wordt gerechtvaardigd, en niet alleen uit geloof. Wij worden dus ook uit de werken gerechtvaardigd. Wij hebben die werken nodig om ons geloof volmaakt te maken.

Is onze context niet heel anders dan in de tijd van Jacobus? Wat nu als je niet zo'n duidelijk moment van bekering hebt meegemaakt? Niet iedereen krijgt zo'n duidelijke opdracht van God, zoals zijn zoon te offeren of verspieders te verbergen. Hoe zit het dan met die werken?

Twee dingen. Je hebt misschien niet per se een grote verandering nodig om werken van barmhartigheid aan je geloof te kunnen verbinden. En tegelijkertijd denk ik, dat tegenslag en offers ons op een bepaalde manier wel kunnen helpen. Heel veel levens van christenen kabbelen voort omdat wij hobbels vaak bij voorkeur uit de weg gaan. Acht het voor enkel vreugde wanneer gij in verzoekingen valt.......Als je in tegenslag terecht komt, dan zijn dat beproevingen waarbij je geloof gekoppeld kan worden aan je werken. Juist door moeilijkheden kun je vaak groeien. Tegenslagen worden door God vaak gebruikt om je geloof af te maken met werken. Achteraf hebben we er vaak zelf van geleerd. Dan kun je achteraf momenten aanwijzen van toen en toen, toen leefde ik dicht bij God.

Wat vindt u van de gedachte die Jacobus ons aanreikt, dat tegenslagen juist momenten van God zijn om erachter te komen wat ons geloof voor ons betekent? Gaat de vreugde van ons geloof niet vaak terug op de moeilijke periodes van ons leven?

1. In de praktijk kom je er achter wat je gelooft Als je geloof zich niet vertaalt in je werken, dan heb je er niets aan voor jezelf in het oordeel, maar ook anderen hebben er niks aan.

2. Acht het voor grote vreugde als je in beproevingen terecht komt. Niet omdat dat leuk is, maar omdat je er standvastiger van zult worden.

En als de omstandigheden dan zo moeilijk zijn dat je niet weet waar je naar toe moet? Dan zegt Jacobus: ga er mee naar God. Hij zal u wijsheid geven en geven wat je nodig hebt.

Edit