Edit|
EditReeks Samenvatting:
Wie is de 'ik' in de Psalm, de dichter wordt niet genoemd, wel zijn omstandigheden en wat hij heeft gedaan. Hij kijkt terug. Waarschijnlijjk moeten we vers 2 lezen als een soort flash back. De Heere heeft verhoord en hij verhaalt wat hij in de nood zei.
Je kijkt soms terug naar de dingen die gebeurd zijn, wat het met je heeft gedaan. Bijv. bij een jubileüm, of Oudejaarsavond. Wat is er veel gebeurd dit jaar.. en wat zal er nog gaan gebeuren? Of persoonlijke dingen. Zo ziet de dichter ook terug.
Dit is de eerste Psalm van de 'bundel' perlgrimsliederen. Liederen ha maäloth. Liederen die de Israelieten zongen op weg naar Jeruzalem voor de feesten.
Wat een voorrecht hij en wij hebben een adres – er staat een hart voor hem open. Ook al zijn we heel eenzaam. Al de dingen die u moeilijk vindt, we mogen het tegen Hem zeggen. De Heere hoort en verhoort soms door de kracht te geven om de onveranderde omstandigheden te dragen.
Hij heeft tot de Heere geroepen – een ongelovige doet dat niet, die heeft niemand. En hij is op reis gegaan. En hij kijkt terug.
De mensen om hem heen spraken bedrieglijk. Wij hebben taal en spraak gekregen als mens, maar wat wordt dat misbruikt! Het kan in een ballingschap zijn geweest en zelfs in Kanaän.
Kinderen worden gepest. Heel geniepig, over kleding of iets anders. Twitterend en al, het komt zelfs voor dat jonge mensen een eind aan hun leven maken om dat gepest.
Of bijv. laster over het avondmaal.
Of denk aan de verschrikkelijke dingen die over Joden zijn gezegd, de kerk gaat daar niet vrij uit. Het gebeurt vandaag de dag precies zo. En in zo'n omgeving moest de psalmdichter leven.
Vers 3,4
Waarschijnlijk spreekt de dichter de lasteraars en leugenaars aan. Je vernietigt jezelf op den duur, je verteert jezelf. Een vervelende verschijning, eenzaam, door niemand geliefd en vertrouwd. Het hout van bremstruik is heel hard en brandt heel lang. Langzaam verschroeid door hun eigen kwaad.
Vers 5
Mesech en Kedar waren persoonsnamen. Mesech was een stam bij de Kaspische zee, Kedar van Ismael, woonden in Syrie/Bagdad. Spreekwoordelijk te nemen dus, omdat die stammen nogal uit elkaar woonden. Een vijandige omgeving, barbaars. Denk aan ISIS. Wee mij – komt bijna niet voor in de Psalmen. Hij vluchtte weg.
Hij was vreedzaam, ik ben vrede, maar als vredelievend mens werd hij niet geduld.
Wie was de dichter? Niemand dan de Heere Jezus heeft het Oude Testament beter gekend. Wat heeft Hij zich vaak herkend in de Ik van de Psalmen. Als we daar aan denken, krijgt het een nieuwe dimensie. De Vredevorst als vreemdeling op aarde. Hij is onze vrede. Maar Hij is ook belasterd, 'bezeten van de duivel'.
Hij bleef alleen staande, omdat Hij dag en nacht in contact bleef met Zijn Vader. Zo kon Hij als vreemdeling staande blijven. Na Zijn opwekking werd Hij niet meer omringd door valse tongen. Het Nieuwe Jeruzalem dat neer daalt uit de hemel.
Al degene die in het spoor van de Heere Jezus gaan ervaart iets van dat vreemdelingsschap. We hebben het echter zo goed – de gedachte is dun geworden. Als we erover nadenken zien we het wel. We dien niet alles wat de buren doen. Onze vaderland is boven.
Al dat leed van kinderen en oude mensen. Honderdduizenden begraven rond Ieper in de WO I dat gaat zo maar door, en wat komt er nog meer, hier is nooit vrede.
Hij die ons vrede is, u geef die zoals de wereld u die niet geven kan. Thuis te komen waar het vreemdelingsschap vergeten. Ik hoop dat u iets daarvan in uw eigen leven herkend – kijk of u wel achter de Heere Jezus gaat of eigen wegen kiest en gaat.
In een weg van lijden en benauwdheid – die Hij gebaand heeft, geprezen zij Zijn naam.