Edit|
EditReeks Samenvatting:
Op de oprijlaan van een villa loopt een man, een kostbaar pakje onder de arm. Hij klopt aan, wie laat hem binnen? Binnen wordt feest gevierd, het is het kostbaarste geschenk van de dag, van de voornaamste gast. Niemand doet echter open, binnen vieren ze te hard feest, niemand mist de belangrijke gast. Het cadeau gaat aan hun neus voorbij.
De laatste van de zeven brieven aan de gemeenten, daar komt onze tekst uit. Gericht aan de gemeente van Laodicea.
Wie is het die klopt? Waar klopt Hij? Met welke bedoeling klopt Hij?
Wie klopt is de opdrachtgever voor het schrijven van deze brief, de Alfa en de Omega. De Almachtige. Johannes was als dood aan Zijn voeten gevallen. Dat was niet verwonderlijk gezien de beschrijving in Openbaring 1. Deze Alfa en Omega staat als een nederige aan een deur te kloppen. Dat is mogelijk, want Hij zegt: vrees niet, Ik ben dood geweest. Hij heeft Zich vernederd tot op de verschrikkelijke dood op het kruis. Hij die de geschiedenis bepaalt staat aan de deur en klopt, in de gestalte van e dienstknecht.
Aan welke deur klopt Hij aan? Aan de deur van de gemeente van Laodicea. Een welvarende gemeente. Er was een aardbeving geweest, maar er is complete herbouw geweest, zonder hulp van buitenaf. Het bankwezen is daar al vroeg ontwikkel, ook de mode heeft het bepaald, de zwarte wollen tunica, en ook een medische faculteit was er. De Laodicenzen zijn rijk en nergens gebrek aan. De christelijke gemeente maakt daarop geen uitzondering. Zij baden ook in zelfgenoegzaamheid. Er zal veel zijn georganiseerd, kerkelijk leven liep op rolletjes, maar nodig hadden ze Jezus niet. Rijk in zichzelf. Niet in de gaten hoe het er met hen voor stond.
Er is in Laodicea is continu gebrek aan vers drinkwater. Wat er was kwam van een warme bron in Hiërapolis, wat lauw was eenmaal in de stad. Niet te drinken.
Wat heeft deze brief ons vandaag te zeggen? Het heeft alles met ons te maken. Hebben wij ook genoeg aan ons zelf? `Bij ons komen de mensen tenminste nog. Bij ons kan er echt niet alles bij door`, en hebben we ons opgesloten en zijn we zo druk met identiteitsbelande zaken. Horen we de klop niet meer? Hij wil ook voor onze blinde ogen een geweldig vergezicht openen. Zonder Hem zijn arm en blind en naakt. Hij wil ons daaraan ontdekken.
En bij ieder van ons persoonlijk, op de deur van ons hart klopt Hij. Van nature houden we die hermetisch gesloten. Genoeg aan onszelf. Er is buiten Hem geen waarachtig leven mogelijk. Elke zondag opnieuw klopt Hij aan de deur, en telkens wanneer wij de Schrift ter hand nemen.
Maar ik kan die deur toch niet open doen? Ik ben toch blind door mijn zonden? Als het mij *gegeven* wordt - dan mag en kan ik dat pas doen. Is dat echt waar? Kunnen wij die deur echt niet openen? Geeft Hij die in Zijn genade aan onze deur klopt, ook niet Zijn Geest naar Zijn belofte, dat we de knop weten te vinden? Er hebben toch geen leugens geklonken toen wij gedoopt werden?
En als we open doen, komt er dan een strafrede over ons heen over wat er allemaal mis is in ons leven? Ik zal tot hem inkomen en Ik zal met hem Avondmaal houden en hij met Mij… Hij komt bij ons wonen! Iets om bang voor te zijn! De hoogheilige die bij ons woont, en wie ben ik? Zo groot is Zijn vergevende liefde dat Hij bij zulke zondaren wil wonen… Samen aan tafel, de hoogste verbondenheid. De Farizeeën gruwden ervan dat Jezus bij zondaren aan tafel zat.
Christus klopt op de deur van ouderen en jongeren. 'Laat me binnen, om uws levens wil'. Uw zonden zijn vergeven. Als we aan Zijn tafel niet durven te gaan hebben we onze deur niet echt voor Hem open gedaan. Als je van Hem houdt, wil je toch zo dicht mogelijk bij Hem zijn?
In Zijn genade klopt Hij nog altijd. Hij wil bij ons wonen en maaltijd met ons houden.