Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2005-10-23 17:00:00
ds. M.M. van Campen (Rotterdam-Zuid)
vraag 3-5

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Zondag 2 Rom 3:9-20 2005-10-23.1713.mp3 (Preek, 16kPro, 6.0Mb)
2005-10-23T.171.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 10.3Mb)
Catechismus

Edit| EditReeks
Samenvatting:
De kennis van mijn ellende.
Wat toont de wet (onze zonde), wat eist die wet (liefde), wat werkt die wet uit (haat).

Zondag 1 was het thema met drie punten, het voorwoord. Nu begint het leerboek zelf. Hoofdstuk 1. Dit is het kleinste hoofdstuk. Zondag 2-4. Het stuk van de ellende is noodzaak, van de verlossing is hoofdzaak. In een preek van 52 minuten zouden er maar 3 minuten over de ellende gaan, 27 minuten over de verlossing en 21 over de dankbaarheid. Dat heb ik wel eens anders meegemaakt.

3:
Bij misère denk je aan problemen, je ziet ze overal. Overstromingen, aardbevingen, tornado’s, steekpartijen, rellen, zelfmoordaanslagen. Ellendig, dat wil zeggen, uit-landig. Uit het land verdreven, uit het paradijs, ze vluchtten uit het paradijs. Asielzoekers weten waar ik het over heb. In een ver en vreemd land. De verloren zoon was ook een moed- en vrijwillige balling.

Weerom, erg concreet: hoe kent u uw ellende? Buiten het koninkrijk van God. Iedereen is daarbuiten geboren. Maar je moet wel ontdekken dat je buiten bent. Je kunt een voorbeeldig leven hebben, kerkelijk meelevend, maar ben je voor God wel eens verbrijzeld geworden? Zowel de verloren als de thuis gebleven zoon staan buiten in eerste instantie.

Hoe zie je dat je ellendig bent. De wet is een eerlijke spiegel. Romeinen geeft een afgrijselijk profiel. Antwoord 3 is feitelijk niet compleet. De Farizeeën leefden immers onberispelijk voor de wet, zo zegt ook Paulus. Spiegeltje aan de wand, jij bent de mooiste van het land. In de levende ontmoeting met de Levende Christus realiseerde Paulus pas wat een weerzinwekkend schepsel hij was. Petrus leerde zijn ellende kennen, niet uit de wet Gods. Zijn scheepje wordt overladen met vis, met de goedheid van de Heere, en hij zegt: ga uit van mij Heere, want ik ben een zondig mens. Dus overladen met Gods gunst. Ook de verloren zoon, hij zag de leegheid van de wereld, dat was de trigger.

Kent, dwz tegenwoordige tijd. Die kennis gaat voort en wordt steeds dieper.

4:
Een verticale lijn, naar God en een horizontale, samen te vatten als ‘liefde’. Daar hangt de ganse wet en de profeten aan. Aan die spijker. Bijbelse grammatica: de eerste Persoon is Hij, de tweede persoon is de naaste, en de derde persoon ben ik. Jezus had de maximale zonde-kennis, en Golgotha ging de fontein tegen de zonde stromen. De eisen van Gods wet in Christus vervuld. God liefhebben en de naaste, hoort altijd bij elkaar. Test van de liefde tot God is de liefde tot de broeders. En andersom ook, een goede humanist zijn is niet hetzelfde als een kind van God. Humaan naar de naaste, maar God vergeten? ‘Een ander nooit kwaad gedaan’. Wij tellen op: ‘ik steel niet, ik moord niet, ... ik denk wel dat ik een kans van slagen heb’. Het hoofdvak is liefde. Wat doen wij? Overspelige dief, als is het zo klein. Hebben wij God lief boven alles? Zouden we in de kerk zitten als er geen hel en hemel zou zijn? Dien Hem niet uit hoop op beloning of uit angst voor straf, maar om wie Hij is.
Wie is mijn naaste? Het is zo moeilijk zelfs binnen een gemeente om elkaar lief te hebben. Wat soms tegen elkaar wordt gezegd, geschreven, gemaild, is om te huilen. Verdragen, dragen opdragen – steeds moeilijker, maar het zit nog steeds onder liefhebben. We zijn geen spiegelkijkers, kijken liever door ruiten heen. Met twee ogen kijkt de wet mij aan. Gij zijt die man, gij zijt die vrouw. Om ons tot besef te brengen, zodat we gaan erkennen en belijden en de Heere Jezus nodig gaan krijgen.

5:
Van nature, aangeboren. Geneigd God en mijn naaste te haten. Je helt ertoe over. Ik eerst en dan een hele tijd niets, dan misschien een ander en misschien nog God ook. Zo niet geschapen, maar wel geworden door de zondeval. Als een auto op de helling – neig ik naar beneden. God hater – heb ik Hem lief? Niet afgezworen, niet irriteren, maar negeren, ook een vorm van haat. ‘Bestond God maar niet, geen last van mijn geweten, geen angst voor de eeuwigheid’. Zonder kernwapens is de ellende niet weg. Tot en met zwaarden en dolken, met de vuist. Handen op de rug gebonden? Zou de ellende dan uit de wereld zijn, dan zouden we schelden. ‘Je mag niets zeggen’ – dan zou je nog je tong uitsteken.
God zet de wereld nog op de handrem. Maar in de eindtijd gaat die rem eraf. Die heilzame wetten worden afgeworpen. Er zit van binnen een leeuw, nu nog achter de tralies, van de overheidswetten, van mijn geweten, van Gods wetten. De liefde zal gaan verkillen. Zo dat zelfs oorlog komt tegen het Lam.

God, wat zie ik er walgelijk uit. Ik zie mijn ellende aan die twee balken van het kruis. Ze zullen zien op Hem die ze doorstoken hebben zegt Zacherias. Aan de voet van het kruis leer ik hoe erg de zonde is, maar ik leer daar ook God en mijn naaste liefhebben.

God, enkel licht,
voor Wiens gezicht
niets zuiver wordt bevonden,
ziet ons bevlekt
met schuld bedekt
misvormd door duizend zonden.

Der sterren pracht
is bij Hem nacht,
hoe hel zij schitt’ren mogen,
en wij belaan
met euveldaân,
wat zijn wij in Zijn ogen?

Heer’, waar dan heen?
Tot U alleen.
Gij zult ons niet verstoten.
Uw eigen Zoon
heeft tot de troon
de weg ons weer ontsloten.

Ja, amen ja,
op Golgotha
stierf Hij voor onze zonden
en door Zijn bloed
wordt ons gemoed
gereinigd van de zonden.

Wil, U ter eer,
steeds meer en meer
’t geloof in ons versterken.
Dan zullen wij,
gereed en blij,
uit liefde ’t goede werken.

Edit