Wij zijn, met de Joden, zeer bevoorrecht. De woorden van God zijn aan hen toevertrouwd. Dat geldt ook ons, wij hebben een eigen Bijbeltje. De Heere zoekt ons op met Zijn Woord. Hoe leeft dit in je hart? Hoe groot is uw en jullie geloof? De Bijbel spreekt veel over geloof en ongeloof. De Heere Jezus verwondert Zich ook over het ongeloof, in Nazareth. In tegenstelling tot onze tekst, het geloof van de hoofdman. Ook: gij kleingelovigen – of de Kananese vrouw, die voortgaat met vragen, ook al heeft de Heere nee gezegd. ‘groot is uw geloof’. Dat geloof ziet op wie Christus is in je leven.
In Kapernaüm was een garnizoen, zo’n 100 soldaten. Dat waren heidenen. Je zou ze kunnen minachten, moet je zien wat er allemaal mee door kan. De Heere doet dat niet. De hoofdman wordt gesteld tot beschaming van de Joden, misschien ook wel tot beschaming van de discipelen en zeker van ons. Deze hoofdman had een groot geloof – wat hield zijn geloof in dan? Een dienstknecht van de hoofdman leed vreselijke pijnen. Zorg over een mindere. Hij spreekt over hem als een ‘jongen, kind’ (`paîs`). In zijn houding ten opzichte van deze knecht zien we een gestalte van Christus. Hij had alles voor hem over.
Hij had van Jezus gehoord. Het is geen gok om het nu eens op Jezus te werpen. Zijn geloof is zo heel erg zichtbaar. Hij gelooft niet slechts dat ‘Hij bestaat’. Hij heeft verwachting!
Ik ben het niet waard, zegt hij. Maar hij laat Hem niet los. En de Heere schrijft hem niet af. Doe als Jakob: ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent. Wie is Hij voor jou? Dat zegt veel over hoe jij de hemel ‘bestormt’. Kwalijk bidden is niet alleen gedachteloos (hebben we nu eigenlijk wel gebeden) of heel snel, of hoogmoedig. Maar goed bidden is er vanuit gaan dat Hij bij machte is te helpen.
Hij gaat niet zelf, niet uit ongeloof; hij acht zich niet waardig. Hij was een heiden. De Joden stonden in zijn optiek in een nauwere relatie tot de Heere Jezus. Hij was immers hun koning. De eerste uitzending van de discipelen was ook specifiek naar de Joden, niet naar de heidenen. Hij zag een blokkade tussen hem en de Heere Jezus in staan. ‘Ik, een heiden, tot Hem gaan?’ Het getuigt van zijn geloof dat hij toch mensen zendt. En ook voor een heidense knecht. Dat dat kan gelooft hij wel. Zeg niet: de Heere heeft mij afgesneden, zegt Jesaja. Van jezelf wel maar niet krachtens de goddelijke genade. God snijdt niet af. Ga met vrijmoedigheid tot de troon der genade. Er is een weg in Jezus Christus. Jakobus zegt de ouderlingen te roepen en dat die voor een zieke zullen bidden. Ook zelf mag je gaan. Het gebed van het geloof zal de zieke behouden.
En als het dan niet gebeurt? Het kan zijn dat we kwalijk bidden, maar de Heere Jezus verhoort niet altijd de gebeden – soms kan de drinkbeker niet voorbij gaan... Maar juist deze hoofdman moet ons aansporen om te blijven bidden.
De ouderlingen voegen toe: die man is het waard. Ze verachten hem niet als een heiden. Hij geloofde in Israëls God. Ziet de Heere de werken aan? De Heere ziet het hart aan: daar kwamen de werken uit voort. Jezus ging met Hem. Het is altijd genade.
Op weg naar het legerkamp is er sprake van het geloof in Jezus’ macht. Wij zeggen: zeg niet dat je onwaardig bent: alle mensen mogen toch tot Jezus gaan? Toch zegt hij, ik ben onwaardig. Geen ongeloof of zwaar gepraat. Maar iemand die van genade afhankelijk is. Zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen zijn. Er zij licht – en er was licht! De hoofdman kende de hiërarchie vanuit zijn dagelijks leven – zou dan de Heere van het leven zo’n machtswoord niet kunnen spreken?
Zou het niet waar zijn? Wat gij vraagt in Mijn naam – Ik zal het doen? Wij hebben zelf zoveel beperkingen. Hij is onderweg om die jongen te genezen. Laat u aansporen tot geloof, wedersta de Heilige Geest niet met wat dan ook. Ook al ben je een heiden en heb je heidens geleefd deze week. De Heere hoeft geen volzinnen.
Zo’n groot geloof werd zelfs in Israël niet gevonden – Jezus verwondert Zich naar Zijn mensheid. Het woord, dat de Joden was toevertrouwd, was met geloof niet gemengd bij degenen die het hoorden. Wij hebben het ook gehoord. Wat doe jij, wat doet u ermee? Laat je opwekken tot geloof.
Een groot wonder, in tijdelijk en geestelijk opzicht doet God dat, voor jezelf en degenen die je dierbaar zijn. Als Jezus nee had gezegd, had die hoofdman dat waarschijnlijk begrepen en geaccepteerd. Hij meende zich onwaardig immers.
Hij zal komen en hem genezen. Want: “op uw noodgeschrei, op uw geloofsgeschrei, doet Hij grote wonderen!”