Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2006-08-27 17:00:00
ds. M.M. van Campen (Rotterdam-Zuid)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Zondag 15 :38 Joh 19:1-16 2006-08-27.1713.mp3 (Preek, 16kPro, 5.5Mb)
2006-08-27T.171.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 9.5Mb)
Catechismus

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Zondag 15. In vraag 37, de Heere Jezus als de Leidende, in vraag en antwoord 38, als de veroordeelde en in vraag 39, de vervloekte. Dat zijn ook drie plaatsen. Gethsemané; Gabatha, voor de rechterstoel en Golgotha.
Vanavond Gabatha, Lithostrotos in het Grieks, waar de rechtszittingen plaats vonden. Ik ga met u naar de rechtbank, en ik daag u uit om in de beklaagdenbank te zitten.


Christus veroordeling, mijn vrijspraak.
1. De rechtbank van Pilatus, 2. De rechtbank van God.

De geloofsbelijdenis – de twaalf artikelen zijn bekend. Er worden twee namen genoemd: Maria en Pontius Pilatus. De vrouw die de Heere Jezus het leven inbracht en de man die Hem het leven uit wijst. Van de moeder- naar de aardeschoot. Pilatus wordt alle eeuwen door genoemd als een onrechtvaardige rechter. Een juridische moord. Ik denk aan Jozef bij Potifar, die onschuldig veroordeeld wordt.

Nog een detail: Die geleden heeft, onder Pontius Pilatus is gekruisigd, gestorven en begraven. Zo moet de komma eigenlijk staan. De Heere Jezus heeft natuurlijk niet alleen onder PP geleden.
In de middeleeuwen werd de eucharistie bediend. In het Latijn, uireraad. “Hoc est poculum” (dit is de beker) – “.. sub Pontio Pilato passus est” (die geleden heeft onder PP). Het volk hoorde er een magische toverformule in. `Hocus pocus pilatus pas` – gebruik het maar niet meer te pas en te onpas nu je dit weet.
Het is ook een historisch feit, een tijdsbepaling. Onder Pontius Pilatus.

De stadhouder van Juda was een rechter die stond voor het Romeinse rijk en het Romeinse recht. De wettige overheid. Pilatus spreekt ook recht voor Gods rechtbank, dat zal later duidelijk worden. Eerder op de dag was de Heere Jezus al door de Joodse raad ter dood schuldig verklaard. Daarom leverden ze Hem over aan de officiële rechter. Het proces tegen Jezus van Nazareth. Het is een juridische procedure. Onschuldig is hij veroordeeld. Op de plaats van het hoogste recht geschiedt het hoogste onrecht. Het lam was smetteloos. Hij is gekeurd door velen en zij vonden geen schuld in Hem. Onschuldig, hebben ze allemaal gezegd. En zo wordt het naar de offerplaats, de executieplaats geleid.

De vrouw van Pilatus had hem nog zo gewaarschuwd. Maar: als u Hem loslaat bent u geen vriend van de keizer. Waar kies je voor? Als je de keizer meer lief hebt, ben je God niet waardig. Mensengunst – een gevaar voor mij, als ambtsdrager. “En des te meer bevreesd zijnde” – voor mensenvrees was hij eveneens gevoelig. Wat een verzoeking als je in een ambt staat. Met het je handen wassen is de schuld voor God niet weg.

Er zit nog iets anders achter, een verborgen zijde. Achter deze aardse zit een hemelse rechtszaak. Pilatus’ vonnis geldt als Gods vonnis. Gods raad zit erachter. God zag de Heere Jezus als borg. Hij staat er omdat er zonde op Hem is (niet in Hem). De Heere Jezus stelt zich garant. God is Rechter. Het recht van God. Dat moet niet weggaan in ons midden. God is Vader, maar ook Rechter. Liefde maar ook recht. Wee die gemeente waar dat verdwijnt. Daar gaat het niet meer om genade door recht.
De Heere Jezus is niet in een volksoproer gelyncht – niet voor niets. Dat mocht en kon niet. Het gaat om recht. Niet van de steilte in Nazareth of bij de kindermoord in Bethlehem, maar bij een juridisch gebeuren. Dat zien we in Paulus’ brieven. In het Avondmaal – Hij onschuldig ter dood veroordeeld zijnde opdat wij voor het gericht van God zouden worden vrijgesproken. ‘Het klopt niet helemaal. Pilatus oordeelde Christus, God oordeelt mij en ik word vrijgesproken – dat klopt toch niet?’ Precies.


2. De rechtbank van God.
Een ander rechthuis. Een vierschaar. Daar sta je, naar voren geroepen bij je dopnaam. Aanklagers, ook mijn eigen geweten. Het boek van Gods alwetendheid, wat ik gedacht en gezegd en nagelaten heb. God stelt mij in staat van beschuldiging in de Bijbel. Romeinen 3 is mijn signalement. Niemand die God zoekt tezamen onnut geworden. Volgens het Woord is het zo. Dat ik Zijn genade heb versmaad, liefde verkwist, Zijn hart bedroefd. Het gerecht zet zich. Ontzaggelijk als je daar een indruk van krijgt. O Heer wil uwe knecht door schuld verslagen niet voor uw vierschaar dagen. – Wie kan voor u bestaan? De film van mijn leven komt terug. Zwaar en menigmaal tegen u misdreven. “Vervloekt is een ieder, die niet in de wet blijft”. Mijn geweten en de satan doen er een schepje bovenop. Bewijsmateriaal genoeg.
Heb je daar nog wat op te antwoorden? Op duizend vragen geen antwoord, zegt Job. Heer, Uw doen is billijk. De rechter velt vonnis – doodstil in de zaal. Dat strenge oordeel Gods – ook in het doop formulier staat het. Geen strafvermindering – geen verzachting, geen voorwaardelijke straf...

Ik spreek u vrij van schuld en straf!

Doet die Rechter dan geen onrecht? Op de troon zit de rechter op Gabatha – In de beklaagdenbank staat Jezus. Wat heeft Hij gedaan? Alleen maar goed. De rechter ondervraagt, Jezus zweeg. ‘Ik vind geen schuld in Hem’. Het is weer doodstil. We verwachten: ik spreek deze vrij. Maar nee, Hij wordt ter dood veroordeeld. Schijnbaar onrecht boven en beneden. En die twee zijn het geheim. Het oordeel dat over ons moest komen op Hem. Op grond van Zijn veroordeling hoor ik mijn vrijspraak.

God is recht. Wij zijn op reis naar Zijn rechterstoel. We zullen er persoonlik verantwoording moeten afleggen. Duw dat niet weg – ‘dat is wel erg taai, zo direct naar de vakantie, kan het niet wat lichter?’. Er wordt een eeuwig vonnis uitgesproken. Geen hoger beroep. Spreek jezelf niet vrij. Niet: een ander zegt ook dat ik een kind van God ben. De Rechter moet je vrij spreken. Ik krimp in elkaar, het is een verloren zaak. Ik kan alleen nog maar smeken om genade. Genade, o God genade – dat hebben alle Bijbelgetuigen ook geroepen. En dat is het. Ga om genade bidden. Gratie gaat altijd gelden na het vonnis. Genade op rechtsgrond. Sion door recht verlost.

Wij moeten uitkijken om geen therapeutisch evangelie te maken – een Heere Jezus voor je wonden. Het zit er wel in, maar is niet de kern en ook niet het diepste. Een schuldvergevend evangelie voor je zonden.

Het recht van God. Zonder die Borg is het een en al bedreiging. Op Gabatha is het goed gekomen. Zijn veroordeling voor de rechterstoel van PP is de grond voor mijn vrijspraak voor de rechterstoel van God. Hij werd schuldovernemende Borg.

Jozef: de schuldige Benjamin moet worden gestraft – Juda zegt echter: laat mij borg zijn voor die jongen. Hier zie je wat een Borg doet – mag ik die schuld overnemen? Ik heb de straf verdiend, maar Jezus zegt: laat Mij het dan maar dragen.

Je kunt maar één keer vrijgesproken worden, maar Hij bevestigt het door woord en sacrament. Nu begrijpt u: Ik voor u. Zullen we ruilen?

Wat is waarheid, zegt Pilatus. Je zult straks voor de Rechter moeten verschijnen; dat is waarheid. Afrekenen. En nu al gaat Hij toerekenen! Christus is je gerechtigheid. Ik weende om de pijn van mijn leidende Heer – maar ik had Zijn kroon gevlochten. Toen ik door Gods Geest aan mijzelf was ontdekt, toen werd de vrees gewekt. Al mijn deugd, wat ik ook voor de kerk gedaan had. Toen vluchtte ik tot Jezus, Hij heeft mij gered van het vonnis van de wet.

Ik boog me en geloofde en Hij sprak me vrij.

--.--

Het volledige gedicht van Robert Murray M’Cheyne, De HEERE onze gerechtigheid:

Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart.
Ik kende geen schuld en 'k gevoelde geen smart.
Ik vroeg niet: "Mijn ziele, doorziet gij uw lot?
Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?"

Al sprak daar een stem uit de heilige blaân
van 't Lam, met de zonden der wereld belaân,
ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk,
'k stond blind en van verre, in mij zelven zo rijk.

Ik deed als Jeruzalems dochters weleer,
ik weend' om de pijn van mijn lijdende Heer,
maar dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld
Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.

Maar toen mij God Geest aan mij zelf had ontdekt,
toen werd in mijn ziele de vreze gewekt.
Toen voeld' ik wat eisen Gods heiligheid deed.
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

Toen vlucht' ik tot Jezus. Hij heeft mij gered!
Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet!
Mijn heil en mijn vreugd' en mijn leven werd Hij.
Ik boog m', en geloofd', en mijn God sprak mij vrij!

Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis,
dat Christus alleen mijn gerechtigheid is.
Nu tart ik de dood, nu verwin ik het graf.
Nu neemt mij geen satan de zegekroon af.

Nu reis ik getroost onder 't heiligend kruis
naar 't erfgoed hierboven, naar 't Vaderlijk huis.
Mijn Jezus geleidt mij door d' aardse woestijn.
"Gestorven voor mij!" zal mijn zwanenzang zijn.

Edit