Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2006-11-12 17:00:00
ds. L.J. Geluk (em. te Rotterdam)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
1Cor 1:9 Han 18:1-10 1cor 1:1-9 2006-11-12.1713.mp3 (Preek, 16kPro, 4.4Mb)
2006-11-12T.171.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 10.0Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Paulus heeft veel gereisd. Het waren geen vakantiereizen. Veel ontzettende dingen mee gemaakt, leven in gevaar geweest. Gearresteerd, in gevangenis geworpen, gegeseld. Om het Evangelie, dat wij ook zondag aan zondag mogen horen. Paulus reisde met dat Evangelie van stad tot stad in het Romeinse rijk. Hij was meestal niet alleen, meestal was er een klein gezelschap bij hem, medewerkers. Medegelovigen. Het was gevaarlijk om alleen te reizen. Toen hij in Corinthe kwam was er echter niemand bij hem. Hij kwam daarvoor uit Athene, is daar maar kort gebleven. In Corinthe, havenstad met zwoele sfeer, veel losbandigheid. Hij is daar begonnen met prediking. Al snel vond hij twee gelovigen, Priscila en Aquila. Er kwam weerstand, moest zich van de synagoge afscheiden. Ging verder in ruimte naast de synagoge. Er luisterden ook niet-Joden naar hem. Het begon heel klein. Paulus kwam alleen, met een sterke Held terzijde. God ging met hem mee. God heeft hem sterk bemoedigd. Heeft gezegd: ik heb veel volks in deze stad. Na anderhalf jaar arbeid moet Paulus weer verder. Schrijft na verloop van tijd een brief aan deze gemeente.
Paulus heeft verdrietige dingen gehoord. Het gaat niet goed met die gemeente, ondanks het mooie begin.

-Partijzucht. De gemeente valt uiteen in groepen; er is een splijtzwam in de gemeente ontstaan. Ze dwepen elk met een ander: de een met Paulus, de ander met Apollos, de ander met Petrus/Cefas (Aramees). Hoe meer namen worden genoemd, des te meer de naam van de Heere Jezus verbleekt. Dat doet Paulus verdriet. Het is een gemeente die naar Christus is genoemd, volgelingen van Jezus. Het gaat niet om de mensen.

-Wantoestanden rond het Avondmaal. Mensen kwamen dronken tot het Avondmaal des Heeren.

In het begin van de bewogen brief spreekt Paulus niet over de verdrietige dingen. Hij begint bij het begin. Het begin van de gemeente ligt niet bij Paulus, maar in God. De gemeente dreigt haar rijkdom in mensen te zoeken. Vers 5: gij zijt in alles rijk geworden. Paulus zegt: jullie rijkdom ligt in Christus! Wanneer we dat vergeten, vervallen we tot een vlakke horizontale visie op de kerk. Dat is ook vergeten bij de totstandkoming van de PKN. In onszelf blijven wij arm.
Arm in wat we moesten zijn, arm in wat God van ons vraagt. We moesten gelovig zijn, en liefdevol, trouw en standvastig en mensen van gebed. Wie met God leeft, ontdekt steeds meer zijn eigen armoede. Maar ontdekt ook dat zijn wezenlijke rijkdom ligt in Christus.

Wij zijn vaak doorbrengers van Gods gaven. Wij verspillen zoveel. Maar onze rijkdom is gelukkig vastgelegd in Christus. Die rijkdom kunnen we niet verspelen; die ligt vast in Hem. Vanuit dat perspectief schrijft Paulus aan Corinthe.
Hij zegt: U bent geroepen tot zijn gemeenschap. Maar niet ieder die geroepen wordt, komt ook. Soms moet je wel 2 of 3 keer roepen voor alle huisgenoten aan tafel komen. Zo moet ook God ons wegroepen van de plekken, waar we niet horen. Vers 2: geroepen heiligen. Heiligen? In Christus wel.
We worden geroepen tot het heil, door de diensten, door het bezoekwerk, door de catechese. Het begint al bij de doopvont. Toen riep God al.
De Joden zaten vaak vast in: we moeten het zelf doen, je eigen gerechtigheid willen opbouwen voor God. De niet-Joden uit de gemeente zaten weer vast in andere dingen: vers 9-11.
Paulus is een geroepen apostel. De gemeenteleden zijn geroepen heiligen: je bent geroepen om bij Christus te horen en in Hem ligt je heiligheid. Je bent geroepen tot de gemeenschap van Gods Zoon. Die roeping viel met kracht in het hart, en zij konden geen weerstand meer bieden. Daar herinnert Paulus hen aan.

God gebruikt Paulus om de gemeente terug te roepen tot daar waar Hij haar hebben wil. De gemeenschap van Christus. Deelhebbend aan het grote heil dat in Christus is verschenen. U bent geroepen om Hem toe te behoren. Niemand kan u dat afnemen, want het ligt vast in Christus Jezus. God is getrouw. Daarom zal Hij ook deze gemeente bewaren bij het heil in Christus. Hij zal haar alles geven wat zij nodig heeft om door deze tijd heen te komen. Dat heil is zo groot, zo overstelpend rijk, dat iemand die daarin is opgenomen niet meer verloren kan gaan. Maar die heeft ook deel aan Zijn lijden. Per jaar worden ca 90.000 christenen om het geloof gedood. Dat is honderden per dag! Gemeenschap betekent ook met en om Hem lijden. Paulus heeft dat zelf ook meegemaakt. Maar het lijden duurt niet altoos. De een maakt er meer kennis mee dan de ander. Hem toebehoren is ook met hem lijden en met hem verheerlijkt worden. De heerlijkheid wacht. Deel hebben aan het kindschap. Eigendom van Jezus Christus. Je enige troost in leven en sterven. Ingeplant worden in Hem. Die weg van lijden en verheerlijking heeft Hij voor al de Zijnen op het oog. Hij is ons voorgegaan. Hem mogen wij dienen. Hij zag naar ons om in onze verlorenheid, in onze vijandschap.
Zo schrijft Paulus aan Corinthe. Het was daar begonnen in de synagoge en voortgezet naast de synagoge. In die heidense stad is God begonnen. De duivel wil het verstoren.
God is getrouw. Door Hem bent u weggeroepen uit van alles en nog wat aan ontucht, liederlijk bestaan of een leven waarin je het allemaal zelf moest doen.
Zal nu de boze toch triomferen, doordat verdeeldheid zijn intrede doet, de genade wordt verduisterd? Paulus schrijft door, om mensen terug ter roepen tot die trouwe God, tot hun Oorsprong, tot de doopvont. God wil zijn de Heilige en de Genadige. Een volkomen vergeving van al onze zonde, een volkomen afwassing, overwinning over alles wat ons van God gescheiden houdt.

Paulus ziet verdeeldheid en ontrouw, maar ziet op naar de hemel, naar die trouwe God, en herinnert de gemeente eraan, Hij zal het voleindigen. Zullen wij onze doop verstaan? En het woord? Zijn we mensen van gebed in deze heidense cultuur? Heere laat het werk van Uw handen niet varen, houdt ons en mij vast. Dat Christus in mij leven mag en in mij gestalte mag krijgen, dat ik leven mag voor Uw aangezicht en al mijn heil verwacht van U. God is getrouw – het ankerpunt. We schrikken van onze eigen ontrouw en belijden het Hem. Houdt mij vast, Heere. Gij zijt de getrouwe, U zocht mij op en overrede mij, U hield mij vast. Bracht en bewaarde mij bij de genade. Geloofd zij Uw naam.

Edit