Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2006-11-26 10:00:00
ds. M.M. van Campen (Rotterdam-Zuid)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Gen 27:33 Gen 27:26-28:9 Heb 11:20 2006-11-26.1013.mp3 (Preek, 16kPro, 5.4Mb)
2006-11-26T.101.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 10.1Mb)
Jakob

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Er is hier sprake van een familiedrama in 4 bedrijven. Wie zal Gods zegen ontvangen? Izak, ongehoorzaam en eigenwillig. Over de inhoud van de zegen is geen discussie, maar wel het adres. ‘Voor Ezau’ had hij er op gezet. Maar God zei: ‘voor Jakob’. Rebecca dacht een sluw plan te hebben. Jakob doet net of hij Ezau is. Drie gelovigen op hun slechtst.
Bij de vierde persoon staan we vanmorgen stil. De boosheid van Ezau. Een ongelovige op z’n best. Gehoorzaam aan zijn vader, hij wil de zegen ontvangen. Wat is het verschil tussen een gelovige op z’n slechtst en een ongelovige op zijn best?

Gods grote zegen
1. De zegen is voor Jakob (28,29); 2. de zegen wordt gemist door Ezau (38); 3. de zegen wordt geschonken via Izak (Hebr 11)

1.
Bij vers 27 zijn we gebleven. Izak zegt, kus mij. Jakob doet dat en knielt neer bij zijn oude blinde vader. Plechtig ogenblik. Hij si drager van Gods verbondsbeloften geworden, het verbond met Abraham Zijn vriend. Tot op de Messias zal het bevestigd worden. God zegent overvloedig. Er zijn straffen tot in het derde en vierde geslacht, maar barmhartigheid naar duizenden geslachten.
Een overdracht vindt plaats. Een kroon wordt aan de kroonprins gegeven. De landbelofte, talrijk nageslacht, de Verlosser zal er uit geboren worden en daardoor een zegen voor alle geslachten van de aarde.

Izak ruikt het veld. Het doet hem denken aan het land, dat God hem beloofd heeft. Jakob: je moet je oog altijd gericht houden op het land, dat God beloofd heeft. Vergeet het niet, ook al moet je zwerven over de aarde.
De belofte voor Israël laten we helemaal staan – tot in het vrederijk. Maar hier ook een toepassing op ons: God wil zulk geestelijk heil geven aan Zijn kinderen. Het is straks letterlijk waar voor Israël, nu geestelijk voor de Gemeente. Kinderen van Abraham zijn we geworden (Gal 3). Aan iedere zondaar die neerknielt voor Gods genade troon.
De eerste zegen is het land. Een hemels vaderland – een erfenis in de hemel. Daar hoort u thuis. Vergeet dat land niet! Ook al moet je nog zo zwerven op aard. Houdt dat vaderland in het oog – the world is not my home. Gasten en vreemdelingen zijn wij hier. Pelgrims. Een zwerver heeft geen doel, hij leeft voor het vaderland weg. Een pelgrim heeft een doel, leeft naar het vaderland toe. Op reis met mijn vrouw en kinderen. Als u weet wat knielen is voor de troon, dan weet u daar van.
Als de geest weer boven is, dan is het vaderland zo aantrekkelijk, dan is het hier maar moeilijk. In Potchefstroom staat een standbeeld van Totius, vertaler van de Bijbel in het Afrikaans. Onder zijn voeten staat de tekst: “Die werreld is os woning nie”.
Izak zegt in v 28 over de zegen: de douw van de hemel, vettigheid, most. De zegen is overvloed. Gods gaat Zijn volk verheugen. Hij zorgt voor een feestmaal. Het geldt letterlijk straks voor Israël, geestelijk nu voor ons. In dat hemelse land. Ik hoop dat u er in mee kan komen. Geen doornen en distels, maar tarwe en most. De zon des hemels zal er schijnen. Wijn – er is vreugde bij God. Niet alleen het nodige, maar ook het aangename, dat wat je mag genieten in Hem.
De Efezebrief heb ik deze week gelezen, langzaam en grondig. Paulus zegt: geloofd zij de God en Vader van de Heere Jezus Christus die ons gezegend heeft met alle geestelijk zegening in de hemelse gewesten. Dat is precies dit. Bijvoorbeeld: Uitverkoren van voor de grondlegging der wereld in Zijn liefde. Denkt u daar aan bij zegeningen? Of aan aardse zegeningen?
Uitverkoren in Hem, aangenomen tot een kind van God, verlost als zondaar. Vergeving van mijn zonden, erfgenaam van het hemelse land, een erfdeel ligt er daar voor mij. Verzegeld met de Heilige Geest. Het eeuwig leven te mogen ontvangen. Als ik daar in kom, kan mijn hart bonzen van verlangen.

Land, de vrucht van het land en ook (v 29) volken zullen u dienen. Het volk krijgt vrijheid, macht. Heersen als koningen. Aangaande toekomende dingen, zegt Hebreeën. In de koningstand verheven.
Toegepast op ons, die wederomgeboren zijn: Gods kind is een koningskind geworden. Gemaakt tot koningen en priesters. Het tijdelijke hier is heel anders. Misschien word je wel veracht door de wereld, maar ze zullen als koningen met Hem heersen. Nu veracht, maar dan verhoogd. Nu een wandelstaf als pelgrim straks de scepter. De rollen worden omgedraaid.
Net met de hakken over sloot zalig? Het gaat over de Heer des hemels. Het gaat om vrijheid, koningschap.

Nog een zegen: Vervloekt is hij die u vervloekt en gezegend die u zegent. God maakt Zich één met Zijn kind. Uw zaak zal Mijn zaak zijn. Die u zegent zal Ik zegenen en vice versa. Gods trouwe zorg. Ook letterlijk: pas op dat je Israel, Zijn oogappel niet aanraakt. Denk aan de zegen voor Rachab, en denk aan de straffen voor Egypte: De kinderen geslagen, het leger verdronken in de Rode Zee. De 42 pubers bij Elisa. Ze scholden op hem, kaal kop! M.a.w. vlieg maar in de lucht, net als je voorganger. Twee berinnen verscheuren die jongens. Ik denk aan de Holocaust – de Shoa, 1939-45, toen heeft heel Europa, het Westen daaraan mee gedaan. Miljoenen Joden “vervloekt”. Het kon wel eens zo zijn, dat het onze vervloeking is - de ondergang van heel onze cultuur, daarom ontbindt de maatschappij ook in zo’n snel tempo.

2.
Gemist door Ezau. Vers 30.
De vierde hoofdpersoon in het familiedrama. Jakob staat op, verlaat de tent. En daar komt Ezau, vol hoop. De verwachting van de goddeloze zal vergaan (Spr.11:7). Ezau is 77. Hij wil die zegen toch wel hebben, het laat hem niet koud. Mijn vader! Wie ben jij? Ezau! Izak verschrikte met een grote verschrikking gans zeer - hoe kun je het nog duidelijker uitdrukken? Een geweldige emotie. Izak schrok en Ezau schreeuwde geweldig. Izak schrikt van het bedrog van Jakob, maar hij moet ook wakker zijn geworden: God heeft Zijn hand er in. God drukt Zijn plannen door. God is zó machtig. Wij zijn knoeiers. (Rom 9:16): “Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods”. Daar hangt het van af.
Izak vervloekt Jakob niet, nee: ‘Hij zal gezegend wezen’ – hij wordt het met God eens. Een wonder, zeker als je het eens met God blijft.

Zegen mij mijn vader, een schreeuw van Izak. Hij kwam met een jubelroep. Hij wilde grijpen naar de zegen, die hij vroeger veracht had. Hij meende nog net op tijd alles te kunnen krijgen, maar het was alles verloren. Het was hem voor altijd ontglipt. ‘Het is wel gemeen – Ezau is slachtoffer’. Is dat zo? Ezau heeft het wellicht vergeten, maar u ook? Hij heeft het lichtvaardig verkocht, met een eed gezworen. Je kunt er mee spotten en spelen, als waardeloos zien in je jonge jaren, later ben je het kwijt. Dat is onthutsend.
Geen schreeuw van berouw, niet over zijn onverschilligheid. Jakob krijgt de schuld. Jakob heeft mijn zegen weggenomen – nee, Ezau. Je hebt hem Jakob weggegeven, geruild. Hij knarst met zijn tanden. Hij bidt: zegen ook mij, vader. Het doet me denken aan al die mensen, jong of oud, die de weg hebben geweten. Ezaus beeld van een kerkganger. Die heel goed de weg gekend heeft maar niet wilden bewandelen, en dan aan het eind toch nog even gauw naar de hemel...
Ik heb mensen ontmoet, die alles weggegooid hebben, en op het sterfbed moet de dominee nog even langs komen. Wilt u bidden voor me bidden, dominee? Ja, maar zul je zelf ook bidden? Ik heb het geprobeerd, maar het ging niet. Dat kan ik begrijpen. Bidden moet je leren, en dat gaat niet even vlug op het einde. Heel je leven gejaagd – ja waarnaar? Zo druk, zo jachtig, waar achteraan? Ik heb genoten van het leven met mijn 2 en 3 Hethitische vrouwtjes. Een grote bittere schreeuw op het sterfbed. Waar naartoe ‘verhuizen’? ik heb geen hemels land. Ik heb geen Verlosser. De eeuwigheid onverzoend in te gaan...
Ik ben niet goed ik schilderen. Maar wie het kan: maak eens een plaatsje van deze Ezau hier, schreeuwend, biddend, wenend, en met wrok in zijn hart. Dat is nou die kerkganger, die het zo goed geweten heeft, die het als maar uitgesteld heeft. Het einde van een afvallige. Izak had maar een zegen, een kroon kan maar een keer van je hoofd.

v. 38. De zegenende God is meer. Izak had maar één diamant. Maar God is een diamantmijn. Een milde zegenader. Hij geeft Zich nooit leeg. Hoeveel miljoenen zondaars al voor Hem geknield hebben... Gods handen zijn nooit leeg. Jakob was Izak voor, Izaks handen waren leeg.
Maar voor kerkgangers, verbondskinderen, die nog niet wilde: duizenden zijn u voor gegaan. God heeft ze gezegend. Een stroom van zegeningen. Uit de troon van Gods genade. Ik zeg vanmorgen: we mogen altijd komen, en neem dan anderen mee, alstublieft. De dag der genade is er nog. Lege handen, U wilt U ze vullen...

Heer', ik hoor van rijke zegen
Die Gij uitstort, keer op keer,
Laat ook van die milde regen,
Dropp'len vallen op mij neer,
Ook op mij, ook op mij,
Dropp'len vallen ook op mij.

Ga mij niet voorbij, o Vader!
Zie hoe mij mijn zonde smart,
Trek mij met Uw koorden nader
Stort Uw liefd' ook in mijn hart,
Ook in mij, ook in mij,
Stort Uw liefd' ook uit in mij

Je moet wel vandaag gaan, morgen kan het te laat zijn, zo gij zijn stem dan heden hoort, geloof Zijn toostrijk Woord.
Verhard je niet, maar laat je leiden.

Edit