Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2007-07-22 10:00:00
ds. M.M. van Campen (Rotterdam-Zuid)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
psa 120:5 psa 120 2007-07-22.1013.mp3 (Preek, 16kPro, 6.2Mb)
2007-07-22T.101.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 10.6Mb)
De liederen Hamaäloth

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Zomertijd, scholen zijn gesloten. Vakantie. Waar ga je heen? Sommigen gaan dagjes er op uit. Andere blijven in Nederland of gaan naar het buitenland. Auto, vliegtuig. Hete caravan. Uren in de rij... Vanmorgen gaat het over een pelgrimsreis, Psalm 120 t/m 134 zijn liederen Hammaäloth. Pelgrimsliederen. Joden uit binnen- en buitenland trokken drie keer per jaar op om de grote feesten te vieren in het huis van God. Dat betekent (ha)maäloth ook: Optrekken, opstijgen, je ging op naar de tempel.
Psalm 120 is het openingslied. Een bundeltje binnen de psalmenbundel. Er zit van alles in. Nu: een klaaglied. Ook: een boetelied of ook lofliederen. In uw jeugd toen Nederland nog kerks was, hebt u het vast gezien: men ging op ter kerke. David denkt er aan terug. Nu is hij in Ballingschap. Kerkgangers horen feestgangers te zijn. Het is vandaag feest - een heilige feestdag. Ziet de kerk er niet zo uit? Het is van binnen.
Het leven is een adem-tocht. Voor anderen een zoektocht, maar voor de christenen is het leven een pelgrimsreis. 'Mijn medereizigers naar de nimmer eindigende eeuwigheid' - ouderwets, maar het is wel waar. Waarheen Pelgrims, waarheen gaat gij? Op des Konings roepstem naar God huis. Jongeren kennen dit lied misschien: 'er is een stad met gouden straten, vol van Jezus -- eens zien wij Uw gezicht en iedereen zal dan dansen'. Die stad, dat Nieuwe Jeruzalem, 'nooit meer rouw'.
Mevrouw Hartveld die is daar, bevorderd tot heerlijkheid. Ze was uitgeteerd, maar ze sprak zo goed van de Heere, en zo klein over zichzelf. Ze heeft de laatste week liggen zingen, ze hapte naar adem, maar ondertussen herhaalde ze psalm 86 eindeloos. Ze mag al zingen, voor je er bent.

Een vreemdeling hierbeneden.
1.Goddeloze omgeving (1,2), 2. Goddelijke vergelding (3,4), 3. Godvruchtige vreemdeling (5-7)

1
De liederen Hammaäloth, zijn verdeeld in vijf triades, elke drie horen ze bij elkaar. In deze eerste triade is de dichter in het buitenland (120), in psalm 121 gaat hij onderweg, in psalm 122 gaan zijn voeten naar binnen.
In 120 begint de pelgrimstocht. Wie neemt er deel? 'Ik'. Hij heeft genoeg van alle leugen en strijden. Hij heeft de wandelstaf in zijn hand. Een vreemdeling - een titel van een kind van God. Gasten en bijwoners, ook in het NT komt dat voor. Een zonderling figuur, 'rare mensen'. Je voelt je wel eens een eenling. Dat knaagt. Een vreemdeling in Mesech en Kedar.
Hij bidt, hij roept naar de Heere. Dat zie je steeds. Die vreemdelingen nemen hun toevlucht tot de Heere. Er waren leugenaars in zijn omgeving. Je kunt beter het slachtoffer zijn van laster dan de bewerker er van. Maar het doet zo'n pijn. Er komt zo'n verontwaardiging op. En onmacht. Er valt niet tegen te vechten. De verklaarders zien David als dichter van deze Psalm. Vluchtend voor Saul, weg van het huis des Heeren. Doëg, de Edomiet belastert hem, en Saul moordt de priesters van Nob uit. Leugenlippen.
Luther schreef een troostbrief aan een Duits stadje, meer gehoorzaam aan het evangelie dan de Paus. Met psalm 120. “Bidt God - niet keizers aanroepen of het zwaard. De valse lippen verdraaien het evangelie (de R.K.). Vers 6: ze haten het evangelie, dat door Christus is aangebracht. Als ik spreek van de schatten van het evangelie, dan doen ze mij de oorlog aan, en ex-communiceren ze mij.”
Een punt van waarheid: de lasteraars zijn overal te vinden, niet alleen in Mesech.

Ook Davids grote Zoon heeft van die lasterlippen zo'n last gehad. De Grote Vreemdeling. Een vraat (zeg maar vreetzak) en wijnzuiper (wij zouden zeggen: zuipschuit). Erg! Hij is buiten zinnen, een zondaar. Gegroet Rabbi! Met valse lippen gaf Judas Hem een kus. Dat kruis moeten wij ook achter de Heere Jezus aandragen. Red mij van anonieme briefschrijvers, die mij betichten van allerlei kwaad. Dat kan je woonomgeving zijn, de kerkelijke omgeving. Ruziezoekers. De pelgrim verlangt ernaar: in Gods huis te zijn. De enige van mijn omgeving die christelijk is. Ik voel soms die vijandschap, ook al zeggen ze het niet. Ik verlang ernaar om naar een oase als de Maranathakerk te gaan. Feest.
Op je werk: de enige christen. Even uit de werkomgeving en 's zondags hier bij te tanken. Te bidden en loven als pelgrim in het huis van God.

2
Leugenaars: weet je wat je straf zal zijn? Wat voor loon je van God krijgt? Ds. Willem Blaak: als ze goed van me spreken kennen ze mij niet, als ze slecht van me spreken kennen ze zichzelf niet.
De straffen van God worden in twee beelden uitgetekend. Door de scherpe pijlen van een Machtige, een Held, de Messias. Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.(Psa 45:3). De Heere Jezus voorgesteld als boogschutter. En het beeld van de gloeiende kolen. Als je iets zegt over een ander, raakt het hem wel, maar het keert als een boemerang terug. Zijn pijl treft altijd doel. Als Zijn pijl je treft dringt het diep door tot in je hart. Het is huiveringwekkend. Wat voor beeld hebt u van God? Het mijne moet telkens weer gecorrigeerd. Hij is allereerst Één, die verhoort en redden wil, bij Wie vergeving is. Goedertierend en bij Wie veel verlossing is. Dat ALLEREERST. Maar God wordt hier nu voorgesteld in Zijn ontzagwekkende majesteit, die Zijn boog spant en Zijn pijl schiet. Daar ziet iets van een waarschuwing in. Denk er om. God komt met zijn oordeel over de stad, Ninevé had berouw - toen kwam het niet - liever niet. Maar bij Sodom en Gomorra wel. God komt ook bij jou. Of je ouderling bent of jongeling... Want lees eens mee in Psalm 7:12-14:
God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt.
Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid.
En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.

Even niet moeilijk doen, in de vakantie, dominee. Maar als jij je niet bekeert, ligt de pijl al op de boog, gericht op jou, alleen God houdt hem nog vast. Als hij los schiet is het je sterfuur. Dan is het voor altijd voorbij. Als je nog uitstel krijgt, doe dan een ding: voor je het kerkgebouw verlaat. Stel dat je zo'n boog zou zien - je zou bukken. Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat. (Psa 2:12)

Gloeiende jeneverkolen. Gloeiende houtskolen van een bremstruik, hebben latere vertalingen. Gods toorn is niet als knetterend doornenvuur onder een pot - die zijn zo uit. De bremstruik: het brandt snel, met hoge temperatur en blijft zeer lang heet, de Bedoeïenen gebruiken het nog. Is het alleen in het Oude Testament denkt u; in openbaring staat het ook: die brandt van vuur en sulfer. Openb 9:17-18;14:10;21:8

Mij komt de wraak toe.

Ik denk niet: zo'n God moet ik niet. Ik ga beven voor Zijn woord. Een waarschuwing kan geen kwaad. De boodschap is hier: ga met ons mee op pelgrimsreis. Een boodschap heeft een waarschuwende spits. Bukken!

3
Een vrome Jood, een christen, een vreemdeling in zijn omgeving, Het accordeert niet met de wereld. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen. (Joh 16:33) - Mijn vrede geef Ik u, daarbuiten is het oorlog.
In je familie kun je het ook hebben. Je bent misschien de enige die het in je hart hebt. Voor de rest is het buitenkant. Ik voel me er niet thuis. Ze kunnen uren praten over dingen waar ik snel over uitgepraat ben. Waar het om draait - gasten en vreemdelingen, op weg naar een beter en blijvend Vaderland.
'Is dit feest? Laat me niet lachen, dominee - zaterdagavond, daar moet u eens zien'. Nou ik houd het er even uit, dan heb je een biertje gedronken, moet je hier nu tot 2 uur blijven zitten? Hoe komt het toch dat je geen smaak meer hebt maar de wereld: omdat God in je leven heeft ingegrepen. Je was eerst vreemdeling voor God. Geen schuld en geen smart, niet moeilijk doen, dominee, ik red het wel.
Toen is er iets gebeurd in je leven. De rust werd opgezegd. Die pijl zag ik op eens en ik bedacht, als ik morgen niet wakker word, zal ik voor eeuwig in de hel moeten zijn. Ik mocht Gods kind worden - ik kreeg andere vrienden. Ik begon de pelgrimsreis. Met mijn ogen op Hem. De schelmen gingen van je ogen. Ik ging zien hoe waardeloos het allemaal was, wat deze wereld biedt. Er is een volk gelukkig op aarde. Geen praatje, maar praktijk. Ik weet mijn bestemming. Zeker weten. Was je wel een kind van God, - anderen zeiden het: jij bent zo serieus - maar ik moest het uit Zijn mond horen.

Totdat je terecht kwam bij die andere Vreemdeling. Als moegestreden ziel. Vreemdeling die Kruiseling werd. Paste niet bij de hemel en niet bij de aarde. Om zulke zwervers als jij toe te roepen: komt tot Mij vermoeiden en belasten, dan zal Ik je rust geven.
Hij hoorde niet bij de wereld, Hij hoorde bij boven, maar Hij kwam naar beneden. Als zo'n moegestreden ziel bij de Heere Jezus is, komt de ene vreemdeling bij de andere Vreemdeling en de Heilige Geest legt een band die nooit meer weg gaat.
Het wee wordt omgezet in een heimwee. Die heimwee hebben die komen thuis.

Mesech woont hoog in het noorden. Barbaars volk. Kedar is een Arabische Bedeoeïenenstam. Allebei ver weg. David voelde het ook. Het hof van Saul was ook zo'n Mesach. David was vreedzaam maar Saul stond met zijn speer klaar.
Je hebt gesolliciteerd, maar niet aangenomen omdat je christen bent. Je wilt niet vooruitlopen op het huwelijk: “jij had 100 jaar eerder moeten leven!”

Ach Heere wanneer komt die dag, dat ik bij U mag wezen. Heb je dat nooit: ben je dan wel Zijn kind? In de wereld maar er niet van. Toch mag ik rust hebben - vers 7: ik ben vreedzaam. Die alle verstand te boven gaat. Ik mag delen in Zijn vrede en verzoening.
Als ik spreek, dan beginnen ze alweer te bekvechten. Het aangezicht van Stefanus blonk als dat van een engel. Hij begon te spreken en de hel brok los.

Wat zal het zijn? Een biddende tong, een lastertong, aankomen in het Nieuwe Jeruzalem. Daar zijn alleen lovende tongen.
Bent u nou zo'n vreemdeling - zijn Zijn geboden uw gezangen geworden? Is de wissel in uw leven omgegaan? Hebt u stad Verderf verlaten? Een andere richting op? Tot bekering gekomen? Eindbestemming is dan de hemel.

Pelgrims,
Die hoop moet al ons leed verzachten.
Komt, reisgenoten, 't hoofd omhoog! al zit je Kedar!
Voor hen, die 't heil des Heren wachten,
zijn bergen vlak en zeeën droog.
O zaligheid niet af te meten,
o vreugd, die alle smart verbant!
Daar is de vreemd'lingschap vergeten,
en wij, wij zijn in 't Vaderland!
(Gez 244:4 Herv. Bundel)

Edit