Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2007-07-22 17:00:00
ds. L.J. Geluk (em. te Rotterdam)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Heb 11:22 Heb 10:35-11:3 Heb 11:8-10 Heb 11:22 gen 50:22-2 2007-07-22.1713.mp3 (Preek, 16kPro, 4.2Mb)
2007-07-22T.171.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 9.1Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Iedereen kent wel iemand die in de loop van de tijd helemaal is afgehaakt van de kerk en het geloof. Dat gaat niet in alle gevallen samen, maar als je wel gelooft maar niet meer naar de kerk gaat ben je op zijn minst wel in de gevarenzone gekomen om een ongelovige te worden. Het verschijnsel secularisatie, afnemend kerkbezoek etc. is herhaaldelijk bestudeerd en beschreven. Hoe komt dat toch? Onze cultuur is sterk gestempeld door de Verlichting. Maar mensen haken niet af omdat ze diep in de werken van verlichtingsdenkers gedoken zijn als Rousseau en Spinoza. Maar in veel gevallen is het een langzaam loswekingsproces tot het opeens helemaal uit is. Of er doet zich iets voor waardoor mensen zeggen: het hoeft van mij niet langer. Vier voorbeelden. (Ervan uit gaande dat het ware geloof uit God is en niet verdwijnt).
1.Men wordt onkerkelijk / ongelovig na een verhuizing. Waarom geen tip gegeven aan de plaatselijke predikant dat er nieuwe mensen in de plaatselijke gemeente zijn komen wonen? Er is dan geen netwerk, geen sociale controle, niemand die je meeneemt. En je haakt af....
2.Men maakt dingen mee die zo moeilijk te verwerken zijn dat er bitterheid in het hart is gekomen. Vooral als er sprake is geweest van liefdeloos gedrag van christenen. Als dat kerkmensen zijn.....hoeft het voor mij niet meer. Wij moeten voorzichtig met anderen omgaan en ons vooral niet onwaarachtig gedragen...
3.Een jongen of meisje komt in aanraking met een onkerkelijke / ongelovige jongen of meisje. Ouders maken zich zorgen. Uiteindelijk raken beide onkerkelijk. De uitstraling van de onkerkelijke is vaak groter dan andersom. Het moet een persoonlijke aangelegenheid worden , waarbij we als volwassene van harte “ja” zeggen tegen het “ja” van God in onze doop. Dat gaat door de puberteit heen, waarin je van alles en nog wat meemaakt. Dan kan het tot de ruimte en de blijdschap komen van een ware gelovige. Ouders hopen en bidden dat hun kinderen als het ware vanuit de voorhof naar binnen zullen gaan in het heilige in plaats van de voorhof uit te lopen. Maar ontmoeten ze iemand van buiten die voorhof dan gaan ze vaak samen naar buiten. Andersom komt gelukkig ook voor, dat een onkerkelijke door een gelovige mee wordt genomen en zelf tot geloof komt.
4.Men bouwt een prachtig bestaan op, een geweldige carrière op. Maar het geloof is dan een beetje oubollig, niet “in”bij je collega's. Carrière als oorzaak van afval.

Jozef heeft alle vier die mogelijkheden meegemaakt, maar is daardoor niet afvallig geworden. Hij is gebleven bij het geloof dat hij van zijn (voor-)vaderen heeft meegekregen. Hij kwam in een vreemde omgeving, in Egypte. Daar kende niemand de God van Abraham, Izak en Jakob. Hij zei “nee” tegen de sluwe vrouw van Potifar. Hij schaft het geloof niet af in dat vreemde land. Hij maakt bittere dingen mee door toedoen van zijn broers. Jakob was ondanks al zijn goede dingen geen goede pedagoog en trok Jozef voor. Zijn broers merkten dat en waren jaloers. Jozef was dus lelijk behandeld, maar liet desondanks het geloof van zijn vaderen niet vallen.
God is een wonderlijk Schaakmeester die vaak het kwade stuk omzet in goed. Daar komt wel strijd aan te pas. Dat werkt louterend. Jozef was onrecht aangedaan, maar heeft dat wel verwerkt. “Jullie hadden mij kwaad aangedaan, maar God heeft het ten goede gedacht”, zei Jozef later.
Al gaat het door de diepste beproeving heen, maar Jozef doet niets af aan het geloof van zijn voorgeslacht. Hij trouwt met een Egyptische prinses, maar wordt ook dan geen Egyptenaar; hij blijft ook dan bij het geloof van zijn jeugd. Dat blijkt wanneer Jozef en zijn vrouw kinderen krijgen. Hij gebruikt bij de naamgeving van zijn kinderen de naam van God. Hij aanvaardt die geschenken uit de hand van God. Hij komt in Egypte tot enorm aanzien; na de Farao was hij de eerste man. De dromen van zon, maan en sterren en van de schoven in het veld gingen in vervulling. Een enorme carrière. Hij zet zich onbaatzuchtig in voor het Egyptische volk. Daarna ook voor zijn eigen familie. Hij zet het ze niet betaald, maar zorgt voor hen en heeft hen vergeven. Hij ziet Gods hand in Zijn leven.
Jozefs leven komt eerder ten einde dan dat van zijn vaderen. Hij wordt 'maar' 110 jaar. Voor die tijd neemt hij hen een eed af. Hij wil geen praalgraf in Egypte. Geen plaats aan de voet van een piramide. Hij wil een plaats in Kanaän. Hij is tot het einde van zijn leven gebleven bij dat geloof. God heeft beloofd dat het volk niet in Egypte zou blijven, maar dat het bestemd was om in Kanaän te wonen. De Heere zal dit ook waarmaken, gelooft Jozef. Maar hij weet dat het zal gebeuren, want hij gelooft dat God een God is die niet liegen kan. Dat houdt Jozef vast. Dat heeft hem moed en kracht gegeven als hij op zijn sterfbed ligt. Hij hecht er aan dat zijn lichaam daar in de aarde van Kanaän zal rusten. Niet omdat die aarde meer waard is dan de aarde van Egypte. Maar hij legt hier een belijdenis af dat de Heere de getrouw is en Zijn werk niet zal laten varen. Dat straks ook het nageslacht in het beloofde land zal wonen. Heeft Jozef ook voorzien dat er een moeilijke tijd aan zou breken in Egypte? Dat zou me niets verbazen gezien zijn heldere verstand. Wellicht heeft hij het aan zien komen. Die enorme vijandschap tegen Israël. Dat was de eerste keer, maar later zou het nog veel vaker zo zijn, tot op de dag van vandaag toe. Maar ook in die weg die Israël daar in Egypte aflegt, heeft de Heere de hand. Hij moet dat volk loswrikken, want het heeft het zo goed gehad in Egypte. Zodat het gaat verlangen naar een Verlosser. Jozef spreekt hier over een uittocht, een exodus. Hij gelooft dat dat op handen is, op Gods klok. Dan wordt het Pasen.
Jozef moet sterven. Dat moeten wij ook een keer. Dat kan op een bed zijn, maar ook ergens anders; tijdens ons werk bijvoorbeeld. Wij kunnen zo bezig zijn met van alles en nog wat, dat we de gedachte aan de eeuwigheid naar de achtergrond schuiven. Maar ook wij zijn gemaakt voor de eeuwigheid. Gemaakt voor de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Kunstenaar en Bouwmeester is.
Hoezeer leven wij in een onverloste wereld. Maar het gros van de mensen is tevreden met surrogaat. Maar dat wat echt het hart kan vullen, is alleen te verkrijgen in het geloof, door de beproevingen en worstelingen heen. Om Christus wil. Want Hij heeft die verlossing mogelijk gemaakt. Dan wanhoop je niet in de gevangenis, dan kom je door tegenslagen heen. Want je hebt uitzicht op het eeuwige Kanaän. Onderweg geeft God het Avondmaal om ons te voeden met dat wat werkelijk voedt: brood en wijn, als afbeelding van Christus die het hart vervult. Jozef ligt op zijn sterfbed. Maar hij troost zijn kinderen met de belofte van God. Wat is Gods belofte u waard? U kunt er werkelijk mee leven, er een zegen mee zijn voor anderen, er mee getroost zijn. De belofte van Hem die de Alfa en de Omega is. Soms door de nacht, maar het licht tegemoet, want God is de Getrouwe. Geprezen zij Zijn naam.

Edit