Edit|
EditReeks Samenvatting:
Opmerkelijk in dit gedeelte is dat Jezus de discipelen en de schare (de mensen) bevel geeft om te vertrekken. De discipelen over zee en de schare over het land. De context vindt u ook terug in het Johannes evangelie. Jezus heeft Nazareth verlaten omdat Hij daar geen kracht kon doen vanwege hun ongeloof. Dan zendt Hij de discipelen 2 aan 2 uit. Zij komen later terug bij Jezus om te vertellen wat ze geleerd hebben. Hij nodigt hen uit mee te gaan naar een rustige plaats; ze hebben zelfs geen tijd gehad om te eten. Een rustige, woeste plaats. Ze moeten ongeveer 3 km overbruggen per boot. In die verlaten omgeving gebeurt het wonder dat 5000 mannen en ook nog vrouwen en kinderen gevoed worden met 5 broden en 2 vissen die door Jezus vermenigvuldigd werden. Daarna worden de discipelen door Jezus gedwongen om in het schip te gaan en weg te gaan. Gedwongen: ze wilden blijkbaar niet. Ook de schare wordt gedwongen om terug te gaan naar Bethsaïda. Zo schept Jezus afstand tussen Hem en de discipelen en de schare. Als je het goed hebt bij de Heere Jezus wil je geen afscheid van Hem nemen. Maar straks mag een gelovige altijd bij Hem zijn, nu nog niet. Jezus gaat dan de berg op om te bidden, want Hij heeft behoefte aan contact met Zijn hemelse Vader. Hij neemt die rust en is daarin een voorbeeld voor ons. Hij bidt tot Zijn Vader en voor Zijn kinderen. Joh. 6: 17. Ze zouden naar Bethsaïda gaan, maar Jezus komt niet opdagen in Bethsaïda. De discipelen hadden tegenwind en komen daarom niet bij Bethsaïda uit. Ze gaan nu richting Kapernaüm. Maar ze hadden ook God tegen. Ze hadden niet gelet op het wonder van de broden. Ze roeiden uit alle macht. Met een enorme wind en niet aflatende golven. Ze waren wel wat gewend; de meesten van hen waren vissers. Ondanks hun ervaring krijgen ze geen grip op de storm. Ze hebben 25 van de 40 stadiën afgelegd; 4,5 van de 7 km nog maar als ze Jezus tegenkomen. Zo kan het ook in je leven zijn: tegenwind, en Jezus niet aan boord. Je schip als een speelbal op de golven. Je probeert van alles, op je eigen manier. Tot aan transcendente meditatie toe. “Ora et labora”; bid en werk. Wij werken vaak eerst, maar we moeten eerst bidden. Dat doet Jezus ook. Hij ziet de discipelen wel. Maar de discipelen weten dat niet. Ondanks de moeilijkheden is Jezus er wel bij, ook al zien zij dat niet. Jezus' oog ziet, ook als wij het niet zien. Maar Hij wacht, want Zijn tijd is nog niet gekomen. Hij wacht zelfs tot de 4e nachtwake toe. Een nacht in de Romeinse tijdrekening liep van 18.00- 6.00 uur. Die verdeelden ze in 4 gelijke delen van 4 uur elk. Die delen noemden ze een nachtwake. Het gaat om de 4e nachtwake, dus de laatste 4 uren van de nacht. God steekt de lamp vaak pas aan als Hij het donker genoeg vindt. God is barmhartig en genadig op Zijn tijd; niet wanneer het jou uitkomt. Jezus kwam op Zijn tijd; Zijn lichaam is niet onderworpen aan de zwaartekracht; Hij wandelt op de golven. Hij is niet alleen Heer' over de zee maar ook van de diepte en de dood. Jezus passeert diegene die zonder Hem op reis is gegaan. Hij wil als het ware passeren. De discipelen turen vanuit het scheepje. Ze zien iets aankomen, herkennen Hem niet. Ze denken dat Hij een geest is in de gedaante van een lichaam. Met die storm hadden ze wel moeite maar geen schrik; maar nu schrikken ze enorm. Ze zwoegen en pijnigen zich. Jezus stapelt hier vrees op vrees en gevaar op gevaar. Hij verschijnt hen zwijgend, wandelend op de zee.
God beproeft weleens zaken in ons leven. Als je net belijdenis hebt gedaan, heb je daar nog niet zo'n erg in. Maar God stelt ons nogal eens op de proef.
Hier zien we hoe de Heere Jezus pas in de 4e nachtwake naar de discipelen toe gaat. Terstond gaat hij naar hen toe, als ze het uitschreeuwen van schrik. Zijt welgemoed, Ik ben het vreest niet. Hij laat het daar niet bij; Hij klimt ook in het schip en de wind stilt. Dat doet Jezus nog bij mensen in nood. Aan de ene kant: in de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goed moed; Ik heb de wereld overwonnen. Hij ziet ons niet alleen, maar handelt op Zijn tijd. Ook als wij Hem niet zien, ziet hij ons wel. “Wees welgemoed, Ik ben het, vreest niet”. Al die uitdrukkingen met de woorden “Ik en” in de Schrift geven aan hoe God zelf is. Zowel als in het nieuwe als in het oude testament. Het verwijst terug naar het Hebreeuwse Jahweh. De “Ik zal zijn die Ik zijn zal”. Hij is een God die er voor je is en er voor je zijn zal. Je kunt van Hem op aan. Van nu aan tot in eeuwigheid toe. Op het gebied van het eeuwig heil, maar ook van andere zaken. Ook dat Hij straft als wij ons niet willen bekeren. Dan doet Hij ook wat Hij zegt. Dat neemt hun panische angst weg en moet hen aanzetten om door te gaan. Zij hadden niet gelet op het wonder van de broden omdat hun hart verhard was. Het woord hart heeft in het Oude Testament en Nieuwe Testament dezelfde betekenis. Het is het centrum van het innerlijke leven van een mens. In ons hart wonen gevoelens, emoties, wensen en hartstochten, liefde, smart en zorgen. Het is ook de zetel van onze wil, de bron van onze gedachten. Het beeldt ons af als persoon. Ons uiterlijk weerspiegelt ons innerlijk. Dubbelhartigheid is een verschil tussen schijn en zijn. Lippentaal zonder daden, eten van 2 walletjes. God en de wereld allebei wat. Maar God ziet ons hart aan en wendt Zich daar naar toe. Je hart verharden is de stem van je geweten smoren, uitschakelen. De werking van God en de Heilige Geest negeren. Door niet te letten op het wonder van de broden, hadden ze zich niet verzekerd van de goddelijke zorg van Jezus Christus. En nu zijn ze in nood gekomen. Wat doen wij? Vergeten wij ook de liefdevolle zorg van de Heere Jezus? En toch zoekt Jezus hen op. Houd moed, Ik ben er. Wat een wonder. Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Die zekerheid ligt niet in ons, maar in de Heere. Zijn naam moet en zal eeuwig de eer ontvangen. Daar hoort u ook bij te zijn, daarom zit u in de kerk; dat is Zijn doel met ons leven. Opdat het wederhorig kroost altijd bij U zal wonen. Als je in nood geen uitkomst ziet, wil dan niet vergeten: God verlaat u niet. Maar ook: vergeet het wonder van de broden niet; tel uw zegeningen!