1
Samuël is oud geworden de dienst van de Heere. Hij heeft heel wat zorg gekend, over de eredienst, de zonen van Eli, het volk heeft hem heel wat moeilijkheden bezorgd. Een schaduw over zijn levensavond. Zijn zonen heeft hij tot hulprechters aangesteld in Be’ersheva, in het zuiden. Het spaart hem heel wat reizen. Hij krijgt geruchten, indirect, dat zij niet oprecht blijken te zijn. Dat merkte hij vroeger niet, maar nu zij op eigen benen staan, blijken het geen lieverdjes te zijn. Iemand met veel geld wordt bevoorrecht. Het recht is te koop. Ze wandelen niet in de wegen van hun vader. Een doorn in zijn vlees. 'Wiens os of ezel heb ik genomen, wie heb ik onderdrukt?' Nooit enig onrecht gedaan. Zijn jongens weten van huis uit niets anders. Uit de namen al; Joël de Heere is God, Abia, de Heere is vader. Als ze geroepen werden, werd de naam van Israëls God gespeld. Uitgerekend zijn zonen gaan nu deze weg. Ze zijn niet beter dan de zonen van Eli. Het oordeel over Hofni en Pineas moest Samuël Eli zelf aanzeggen.
Misschien begrijpt u Samuël wel heel goed. Misschien gaat een van uw kinderen wel een hele andere weg dan toen ze nog thuis waren - o het was zo'n modelgezin. Overboord gezet wat ze van huis uit meekregen. Ze kunnen doen en laten wat ze willen - ze hebben het best, maar ze gaan achteruit gegaan. Wat norm was, geldt niet meer. Als er maar geld mee te verdienen valt. Het geld heeft hen te pakken. 'Waarom heb ik dit kind gebaard', zei een moeder, 'toch niet voor de hel?' Je staat er toch zeker niet onverschillig tegenover als je kinderen andere wegen gaan. De vreze Gods is geen erfgoed, maar laat het nu helemaal geen sporen na? De schuld wordt bij de ouders gelegd, maar in het geval van Samuël zouden we ons deerlijk vergissen. Samuël is ook zondaar, zeker. Maar als onze kinderen in Gods weg gaan, mogen we de Heere daarvoor alleen danken. En als ze de zonde niet haten en daarom niet laten, dan weten we weer dat ze in zonden ontvangen zijn. Laat veel gebeden liggen in het gouden wierrook vat.
2
De rechtsverkrachting is aanleiding om te vragen om een koning, aan Samuël. Is dat nu fatsoenlijk? Hij is te oud en zijn zonen deugen niet. Je zult zo aan de kant geschoven worden, om je leeftijd. Samuël heeft het erg moeilijk met deze vraag. Zal hij ze met gelijke munt betalen? Heel natuurlijke reactie. Onze kinderen zijn geen lieverdjes, maar dat moet een ander niet zeggen! Maar Samuël heeft geleerd niet naar het vlees te handelen. Hij zegt niets. De weg van het gebed blijft over. De Heere moet maar antwoord geven. Er is geen betere weg. Met zaken waarbij onze eer in het geding is. De wil van God geschiede. Stil zijn ook tegenover mensen die ons vernederen.
De Heere geeft antwoord.
De vraag van de oudsten is kwaad in de ogen van God. Waarom mogen ze dat niet vragen? Is het te allen tijde verkeerd om om een koning te vragen? Aan het koningschap is niets vreemds. In de wet is er zelfs al rekening mee gehouden, dat er een koning zal zijn. Gen 17. wordt Abraham beloofd dat uit hem (en aan Jakob wordt het later herhaald) koningen zouden voortkomen. Daar hadden ze naar kunnen verwijzen. Maar het is toch kwaad. Het hart waaruit de vraag op komt is namelijk verkeerd. De Heere ziet dwars door alles heen. Kennen wij onszelf - hebben wij het met onszelf getroffen? Zondaren heeft Hij lief.
Wat is er verkeerd? De Heere legt uit: ze hebben niet u maar Mij verworpen, dat ik Koning over hen zou zijn. Dit volk heeft telkens naar afgoden omgezien. Ook komen ze tot bekering, maar vaak is het van korte duur.
Er zijn toch koningen geweest als David en Hiskia? Maar het gaat de oudsten met hun vraag om een koning niet om een middel in Gods hand, ze willen juist los van God; met een koning denken ze meer vastigheid te hebben. Een Richter moet telkens door de Heere gegeven worden. Die afhankelijkheid kan wel eens mislopen... een koning zal er altijd zijn, als hij sterft zitten zijn zonen op zijn troon. Ze verwachten meer van het middel dan van God zelf.
Dat is toch nòg ons probleem - zó de zaken regelen, dat we de Heere niet meer nodig hebben. Begrijpt u de vraag van de oudsten? Veiligheid en zekerheid maar dan wel op onze manier. Ook dat zit er bij ons in - God niet vertrouwen. Mensen wel, dingen, maar God niet. Of misschien verwacht u het van uzelf, van uw werkkracht, uw christelijk leven, of uw geld, uw vermogen. Zij hebben Mij verworpen, dat ik geen Koning over hen zij. Ik mag niet meer voor hen zorgen. Ik heb hen nog wel op arendsvleugelen gedragen...
Ook nog om een andere reden: ze willen een koning, als de andere volken, ze willen van die aparte status af. Het moet bij hen worden als bij alle andere volken. Geen volk met een bijzondere roeping, om te laten zien dat de Heere God is, en Hij alleen, en dat die andere volken er het best aan doen om hun knieën te buigen voor die God van Abraham, Isaak en Jakob. Israël wil niet opvallen, maar mee doen. Opvallen - dan loop je de kans om moeilijkheden op je hals te halen. Een oude zonde - niet opvallen, je aanpassen, dat gaat er goed in, bij kerkmensen. Wie bepaald er wat voor kleding je aantrekt en schoenen je aantrekt? – Pa, ze doen het allemaal, en als ik niet mee doe, lachen ze me uit. Vader en moeder gaan overstag, - ik proclameer geen uiterlijke kenmerken. Dat kan een gruwel worden - je netjes houden aan de tempeldienst, maar het hart blijft erbuiten. Zo kan het zijn als we juist *willen* opvallen.
Maar de wereld mag best zien aan ons, dat we gedoopt zijn, en dat we apart gezet zijn. We kunnen dan niet met alles van de wereld mee doen. Maar dat is het doel niet - maar om de Heere te dienen.
Gelijk als de andere volken. Volk onder de volkeren. Geen volk van God. Wil ik dat wel? Van nature onderscheiden we ons niet van Israël. Het zit er bij ons niet in, om de Heere koning te laten zijn in ons leven.
3
Het antwoord. Opmerkelijk is dat de Heere niet afwijzend antwoord - doen, Samuël, maar eerst het volk erop wijzen wat het op de hals haalt. De vrijheid leveren ze in - het wordt heel concreet voorgesteld. Hun zonen en dochters moeten voor hem werken - kroondomeinen, belastingen. Zwaar zal men zichten onder die last. Als het volk daaronder zucht zal de Heere niet horen; ze hebben het zelf gewild.
Maar desondanks houden de oudsten vast. Een koning moet er over ons zijn. Hoe vader en moeder ook praten, het kind houdt vol. Nou kan er een moment komen waarop je zegt – dan moet je het zelf maar weten - we hebben je gewaarschuwd. Haalt de Heere bij wijze van spreken Zijn schouders hier op? Een echte vader en moeder kunnen zo ook toegeven, maar ze geven des te meer om dat kind. Ze hopen en bidden dat het kind de les zal leren.
Ze krijgen een koning om een les te leren. Geen koning naar Gods hart. Tot een geweldige nederlaag op de bergen van Gilboa leidt het allemaal. Zie je wel .... Maar de Vader in de hemel heeft lief, ondanks alles. Israël krijgt een geschonken koning, die wel naar Gods hart is, David, die mag regeren bij de gratie Gods. Die moet belijden: hoewel mijn huis alzo niet is, evenwel heeft Hij met mij een vast verbond gemaakt.
Daar zijn Gods lessen voor, in ons leven. Als God ons geeft waarop we ons vertrouwen stellen - het kan even wat lijken. God wil ons van die koning afbrengen, Hij kan een dwaas verzoek wel eens inwilligen, om ons van dat steunpunt af te brengen. En we houvast gaan zoeken bij de Koning door Israëls God gegeven. We laten onze afgoden die we zelf gemaakt hebben niet zo maar afpakken.
Door schade en schande worden we wijs gemaakt. We komen bij de Koning terecht. Hij eist van ons niet ons land en ons geld en zonen en dochters. Hij vraagt van ons: geef Mij je ongerechtigheid en hier heb je Mijn gerechtigheid en heiligheid. Onder Zijn heerschappij wordt een mens rijker en rijker tot we ingaan in Zijn koninkrijk.
Onder Hem, dienen is zo heerlijk, nog nooit heeft iemand daar spijt van gekregen. En er komt geen einde aan Zijn koningschap. Al zijn onderdanen zullen leven. Mar wie weigert dat Jezus Christus koning over hem zal zijn, die zal Hem moeten erkennen voor Zijn rechterstroon.
Maar, het kan nog; kiest dan heden wie gij dienen zult. Dan mogen we meezingen met de psalmist, onze God is van Israëls God gegeven.