Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2008-03-30 10:00:00 ds. R. van Mourik (Sommelsdijk)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
1Cor 15:8-10 1Cor 15:1-11 2008-03-30.1014.mp3 (, 16kPro, 4.7Mb)
2008-03-30C.105.mp3 (Hele dienst CD kwaliteit, 48kPro, 27.3Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Aan het eind van de evangeliën worden heel wat personen genoemd war de Levensvorst aan verschenen is. Maria Magdalena - de hovenier blijkt Jezus te zijn. Aan Thomas, ingekapseld in ongeloof - aan hem werd Zijn vrede gegeven. De Emmaüsgangers, aan hen maakt Hij Zich bekend. In 1Cor 15 noemt Paulus heel wat meer mensen op. Hele andere personen. Een aparte verschijning aan Petrus, Jakobus, de broer van de Heere Jezus. 500 broeders in één keer. Heel veel leven er nog van, zegt Paulus. In die rij. Op de laatste plaats noemt Paulus zichzelf. Ook aan hem is Hij verschenen. Paulus hoort in beginsel niet in die rij - de anderen hebben Hem nl. gezien vóór Hij ten hemel voer. Echte ooggetuigen van de Opgestane. Dat bracht hem wel eens in diskrediet. Een ijkpunt - heeft deze apostel werkelijk Jezus gekend? Paulus kan zich er niet op beroepen. Hij voelt dat. Toch wil hij zich nadrukkelijk ook een apostel noemen. De minste, maar ook hij heeft een verschijning gehad van Zijn Meester, ter verdediging is hij daar uitvoerig over. Ik hoor er ook bij.
Sommigen komen ruim op tijd bij een bushalte - andere komen aan rennen en zijn net op het nippertje. Maar allemaal zitten ze in de bus. Zo zegt Paulus het. Christus is ook aan Mij verschenen. De ontmoeting nl. op de weg naar Damascus. Paulus werd van vervolger een volgeling van Jezus. Heere, wat wilt u dat ik doen zal? Hoe messcherp komt dat verschil in zijn leven naar voren. Stanley Jones, zendeling in China gaf een Bijbel aan een arts in India. 'Ik haat God en jou' had hij er in geschreven, toen hij die Bijbel terugstuurde. Niet lang erna ontving hij bericht: 'Jones, waar is God en waar ben jij? Ik heb je nodig en God ...' Zo kan het gaan.

Op deze verschijning doelt Paulus. Hij was het niet waard, als vervolger van de gemeente. Ook mij heeft Hij in dienst willen nemen! Ongedacht en toch gebeurt. Waarom mocht hij er toch bij horen? - Het getal was al 12. Hij mocht zelfs overvloediger arbeiden dan al die anderen. Mag ik bij Jezus horen? Misschien kennen sommigen onder jullie dit ook. Mocht IK belijdenis doen vorige week..? Ik - wie had dat gedacht - zelfs gedoopt.
Of: zo'n wonder dat ik toen de vrijmoedigheid mocht hebben om aan het Heilig Avondmaal te gaan. Al mijn bezwaren en al mijn achtergronden die ik had - Hij riep en ik kon niet meer blijven zitten. Zo'n verwondering en verbazing trillen er door de woorden van Paulus heen. Geen triomf - meer schuld. Waarom heb ik me zolang verzet?
Zullen wij die 'Paulusbekering' maar niet te veel als ijkpunt zien? Die ervaring moet ik ook hebben? Paulus zou zeggen: doe het maar niet, die verandering stelt mij schuldig, daar kan ik niets mee worden. Ik kan alleen zeggen: hoe bestaat het dat de Heere ook mij op het oog had. De Heere wil dat bij jou en mij niet later nog een keer doen - je mag daar niet op wachten. Je hebt je nu op dit moment gewonnen te geven aan Hem, nu laten overtuigen door zijn roep. Nu staat Hij voor u, nu verschijnt Hij aan ons, en zegt: geef Mij jouw, uw hart. Dat verhardde hart, en laat u een vlezen hart uitdelen. Als een spons - wat wilt Gij dat ik doen zal. Nu op dit moment, niet als u nog eens een keer stil wordt gezet. Heden zo gij Zijn stem hoort, zongen we. Verhardt uw hard niet maar laat u lijden. Niet: 'het kan nog wel wachten... Kijk maar naar de moordenaar aan het kruis.' Natuurlijk dat kan, maar de roep is nu. Je kunt de bus ook missen, dat je het nakijken hebt. Geen ten laatste meer. Maar voor eeuwig te laat.

Paulus geeft wel zeker aan waar het nu om gaat. Als Jezus bij u komt, wat gebeurt er dan? Een grondtrek in al die ontmoetingen, is de verootmoediging. Je klein weten voor God. Niets meer over. Door alle geestelijke bodems heen gezakt. Christus is aan mij verschenen als een ontijdig geborene, 'ektrooma' staat er in het Grieks, het latijn ervoor komt ons bekender voor: `abortus`. Een spontane 'vrucht afdrijving'. Een niet levensvatbare vroeg-geboorte. Zo duidt Paulus zich aan.
Er werd een degelijke, vrome, besneden, wetsgetrouwe Israëliet ingerekend bij Damascus. Hij vervolgde de gemeente van God. Maar hij deed dat om op zijn geestelijke rapport hoge cijfers te halen. Hij schatte zich hoog in. Verdienstelijk bezig in het koninkrijk van God, verdienstelijk leerling van Gamaleël Die werd in de kraag gegrepen, gevloerd. Een man die dacht dat hij het leven kende, maar hij miste het! Ontijdig geborene, een miskraam. Vrome man maar geen leven. Geen kennis aan het echte geestelijke leven.

Dat kan dus blijkbaar - ook nu. Degelijk, meelevende, ambtsdrager, avondmaalganger, voorganger. En toch een miskraam. Geen leven in jezelf. Tot die belijdenis moet het komen, wanneer wij geconfronteerd worden met de Levende. Als de Opgestane ons verschijnt, dan worden wij als doden. Denk maar aan de Johannes. Op Pathmos krijgt hij ook een verschijning. Hij kan het niet overeind houden? Als dood valt Hij aan Zijn voeten. Zo wordt Paulus bij Damascus gevloerd. Hetgeen mij gewin was, waar ik dacht wat mee te zijn, heb ik om wille van de Levensvorst schade en drek leren achten, wat je in de kliko gooit. Zo wordt Paulus een ontijdig geborene.

Is dat ook onze belijdenis? Daar gaat het om. Al mijn gerechtigheden, waar ik me dacht overeind mee te houden, dat blijkt niets voor te stellen. Zo hebben wij ons te verootmoediging. Doden zullen horen de stem van de levende God en die ze horen zullen leven. Dan moet je wel eerst dood zijn! Op alles wat wat lijkt te zijn de dood schrijven en dan is Christus leven!
De grondtrek die elke ontmoeting met de Levende naar voren komt. Allen belijden dat aan Wie Hij verschijnt. Paulus schaalt zich laag, ook elders, de minste van alle heiligen, de grootste van de zondaren, dat wedstrijdje win ik. De minste van de apostelen. Hij hangt niet de bekeerde Paulus uit.

Toch wordt Paulus gebruikt - hoe kleiner je zelf wordt hoe groter God. Hoe minder leven in jezelf hoe meer je het vindt in Christus. Hoe onbruikbaarder in eigen oog, hoe bruikbaarder in Gods oog. Vurige vervolger wordt vurige volgeling. IJverig in de werken der wet, naar ijverig in goede werken. De Grondwet van het koninkrijk van God. Hij moet wassen en ik steeds minder. Zo wil de Here ons gebruiken, in een bijzonder ambt of dat van alle gelovigen. Overvloedig bezig in die grote wijngaard van God. Daarin is geen werkloosheid, daar kun je niet met de VUT.

Boort Paulus iets bij zichzelf aan? Een verborgen krachtbron? Hij is niets, maar hij heeft overvloediger gewerkt dan de andere apostelen - nou Paulus - is dat geen grootspraak? Dat is nog al wat. Aanmatigend - Maar Paulus zegt het; maar hij zegt er wat achteraan: maar niet ik, maar de genade van God, die onvoorstelbaar in mij werkt.

Ik had het niet gedacht, dat ik Apostel mocht worden, en door de genade van God ben ik wat ik ben. Die genade maakt me een ander mens, een nieuwe mens. Vroeger hoorde je wel eens: die heeft een ander leven ontvangen. Genade-leven is een ander leven. Daar gaat heel veel van uit en het werpt vrucht af. Om getuige te zijn van Zijn genade, zichzelf wegcijferend, maar groot spreken van hun Heiland. Licht verbreiden om hen heen, als een kaars opgebrand.
Hoeveel heeft Paulus niet mogen betekenen voor de gemeenten die zijn gesticht, en dat gebruikt de Heere nog - in je eigen omgeving, klas, familie, straat, collega's. Wie zo leeft, getuigt er van en straalt wat uit. En het is niet tevergeefs.

Dat komt niet door jezelf of die ander, maar door die genade waar hij of zij van leeft. Dat komt naar buiten, het kan niet anders. Paulus loopt niet met zichzelf weg, maar met Gods genade. In de gebedsstrijd, toen hij last had van die doorn van zijn vlees, mocht hij horen: die doorn gaat niet weg, je zult altijd herinnerd worden aan je vervolging van de gemeente. Maar weet wel: mijn genade is genoeg – meer heb je niet nodig, maar met minder kun je ook niet toe.

Elke dag weer bedelen om die genade, elke dag weer klein worden en je hand op houden, maar ook elke dag weer ontvangen. Geen vrucht op eigen akker, maar van God uit. Laat dat opstandingsleven er nu mogen zijn. Bij ons allemaal. Zodat ook wij het kunnen zeggen: Ten laatste is Hij ook aan mij verschenen, ik mag er ook bij horen. Wie ben ik? Wat stel ik voor - geen leven in mezelf. Geen vrucht kan ik voortbrengen, maar ik mag leven, - nu mag ik Hem groot maken, mijn leven draait niet om mij maar om Hem en Zijn genade; daar wil ik voor leven, daar wil ik van getuigen. Anderen voor inwinnen. Als het dan toch sterven wordt in mijn leven, het kan met 23 jaar en je kunt 90 worden, 100 misschien; maar het stopt een keer, als je dan niet weet van het andere leven... Weet je het wel, dan is de dood een doorgang. Het sterven is gewin. Hoe dan ook en wanneer dan ook.

Waarom winst? Omdat ik weet van dat eeuwige leven, ik ben de opstanding en het leven, dat zei Hij vóór zijn sterven en opstanding. Wie in Mij gelooft, zal leven. Die ontvangt dat andere leven.

Geloofd zij deze opgestane Levensvorst, aan velen verschenen, ook aan u en jou.

Ik heb God gezien, zoals Jacob zei bij Pniël en mijn ziel is gered geweest. Voor eeuwig gered.

Edit