Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2008-06-15 10:00:00 ds. W.G. Teeuwissen (Veenendaal)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
psa 67:1-8 psa 67:1-8 2008-06-15.1013.mp3 (Preek, 16kPro, 4.2Mb)
2008-06-15C.105.mp3 (Hele dienst CD kwaliteit, 48kPro, 24.4Mb)
2008-06-15T.101.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 9.2Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Kent u het infoblad “Alle volken”, van de GZB? Vanmorgen gaat het over alle volken. Dat lazen we in Psalm 67, en daar gaat het ook over bij de GZB. De GZB geeft uitvoering aan de zendingsopdracht van de gemeente, van de kerk. Vanmorgen een zendingspsalm. Maar anders dan je verwacht. Het gaat over de heidenen, over alle einden der aarde. Of je die heidenen blind moet noemen weet ik niet helemaal. Als je luistert naar die Psalm dan is het allemaal niet zo vanzelfsprekend meer. De naties zullen zich verblijden en juichen omdat U de volken rechtvaardig zult regeren. Wat zie je daar dan van, wat merk je daar dan van? Nederland juicht vooral bij goede resultaten van het Oranje-team. Er zijn delen van de wereld waar mensen en leiders bejubeld worden. Maar of God bejubeld wordt? Dat complete volken zich verblijden in God? Dat God de volken rechtvaardig regeert? Ik zie het niet. Wie regeert Nederland? De koningin? De regering? Of God? Uiteindelijk natuurlijk wel, want alles is in Gods hand. Maar als je daar zelf over nadenkt dan denk je niet in eerste instantie aan God die regeert. Je ziet dan allerlei leiders, die de Bijbel er soms nog bijslepen. Maar dat God de naties leidt? Daar zie je bijna niets van. De SV zegt: de naties zullen zich verblijden. (toekomst). De NBV heeft: laten ze zich verblijden, in wensende zin. Maar in het Hebreeuwse staat er dat het zo is. De naties verblijden zich! Op de klank af is het terecht een zedingspsalm. Zo klinkt hij ook, maar het is niet vanzelfsprekend. Hoe kun je deze psalm dan zingen? Is dat van de andere wereld die nog komt? Krijgen wij daar zomaar grip op, omdat het haaks staat op onze werkelijkheid? Laten we eerst maar eens gewoon lezen wat er staat.

Vers 1 is een liturgisch inleiding: voor de koorleider. Voor de dirigent van het tempelkoor. De toonaangever. Deze psalm is ook bedoeld om ons op de juiste toonhoogte te brengen. De toonhoogte van God. Het vertrekpunt is niet wat wij zien, en denken, maar het vertrekpunt is God. Die toonhoogte. Er staat ook: op de Neginoth, een snaarinstrument. Bedoeld om zowel te zingen als te spelen. Het is een lied, het is gecomponeerd, niet zomaar maar heel bewust. En dan komt de inhoud van de psalm: met vers 2, een gebed. De echo van de hogepriesterlijke zegen uit Numeri 6. Een gebed om genade dus, want de dichter belijdt: wij zijn zondaren. Leven van huis uit zonder God. Er wordt gebeden om genade. Laat ons a.u.b. niet los. Maakt U er wat van, want alleen dan wordt het nooit wat. Laat me niet aan mezelf over, hou me in het oog. Sela, even de adem in houden. Even nadenken. Is dat wat ik verlang en waar ik op hoop? Dat God naar me kijkt, dat hij me letterlijk en figuurlijk ziet zitten? Als dat gebeurt, zegt vers 3, dan zal men op aarde uw weg kennen, uw heil. Als Gods genade in mijn leven zichtbaar wordt, zien anderen zijn heil. Dat wat God heel maakt, reddende kracht. In het Hebreeuws staat er Jesjua. En daar hoort u de naam van Christus in. Hij maakt zijn volk heel, zalig van hun gebrokenheid. Als de heiden dat ziet in ons leven, dan zullen ze u loven. Het gaat hier niet direct over ons, het gaat hier over Israël. Geen “is gelijk”-teken. Het is niet bij Israël gebleven, de naties zullen zich verblijden en juichen omdat ze mogen delen in dat heil. Dat de Heere God volken rechtvaardig zal regeren. Hij zal de zaak rechtzetten en recht houden bij alle volken. Daarom zullen de volken u danken en loven.

In vers 7 gaat het weer over de zegen van God. Nu niet over de genade in iemands leven maar in de zegen van het gewas. Zo zegent ons God. Zo ziet de dichter de hand van God in het gewas. Niet omdraaien: zegen is niet altijd gewas. Niet automatisch geen honger. Zegen is altijd in onze gebrokenheid. Altijd meer en anders dan wij mogelijk houden. Altijd iets wat buiten onze mogelijkheden valt. Zegen is niet altijd gewas, maar gewas is wel altijd zegen. Dat belijdt de dichter. Hij belijdt de God die zegt: ik ben de Heere uw God. Hij besluit zijn lied met vers 8: God zal Israël zegenen. En als de wereld dat ziet zullen alle uiteinden der aarde Hem vrezen. Wat een vergezicht!
Maar wat moeten wij daar nu mee? Wij zien heel andere dingen. Voedselcrisis, aardbevingen, oproepen voor noodhulp, hypotheek-crisis, stijgende olieprijzen. Maar dit: De einden der aarde zullen Hem vrezen? Wat moeten wij met deze psalm? Er is over gedacht. Vers 4 en 6 zijn woordelijk gelijk. Als een refrein, maar toch net niet helemaal. Er zijn in deze psalm meer verzen die op elkaar lijken. Denk aan vers 2 en 3. En vers 7 en 8. Beide gaan over zegen, maar het een in het persoonlijk leven en de ander van de aarde. Die zegen blijft niet zonder effect, op de volken om hen heen. Vers 1 is die technische liturgische inleiding. In vers 2 en 3 begint en eindigt het met de zegen van God en het effect daarvan op de wereld. Een schil verder kom je bij vers 4 en 6 waarin de lof van God bezongen wordt en dan kom je bij het hart van de psalm in vers 5: de naties zullen U loven.

Als we beginnen bij die buitenste cirkel. Als God ons genadig is, Zijn aangezicht naar ons toewendt, als het ons wel gaat, dan is dat iets van onze God. Dan zal men op aarde Uw weg kennen. Zijn weg met Zijn volk en Zijn weg met ons. Ik ben de Heere uw God. Daaruit spreekt de relatie tussen God en Zijn volk, tussen God en deze wereld en tussen God en de kerk. Als God Zijn volk en Zijn kinderen zegent, zullen de mensen van de wereld dat zien. Daar ligt toch een linkje naar de zending. De aarde zal bereikt worden met Zijn woord en zal vol worden met Zijn naam. Toch klinkt dat wel erg makkelijk. Er is zegen en dus herkennen de heidenen dat God God is? Gaat dat automatisch zo. Denk aan de stad op de berg. Jullie kunnen niet verborgen blijven, dat kun je niet verstoppen. Is het zo eenvoudig. Jezus zegt ook dat het als een kaars is. Je kunt over de kaars een korenmaat, een emmer zetten. Dan ziet een ander niks meer van het licht en de kaars dooft zelf ook. Je kunt zeggen dat de volken nog zo weinig zien van dat heil. Zou dat komen dat wij eerder een emmer zijn dan een kaars? Dat we het eerder voor onszelf houden, dan dat wij het uitstralen naar de ander? Dat wij geldt allereerst voor Israël. Was Israël zo'n barrière voor het evangelie? Ze zijn geroepen om een licht voor de heiden te zijn. Jesaja zegt dat deze knecht des Heeren zijn taak niet heeft volbracht. Daarom komt de Messias. En het evangelie van de Pinkstergeest wordt afgewezen en dan komt het naar de heidenen.
Doen wij het beter dan Israël? Zijn wij een kaars op een kandelaar of zetten we er een emmer overheen? Verspreiden wij het licht of verbergen wij het? Als God ons zo zegent, leert onze omgeving dan Gods weg? Heel dichtbij, onze kinderen, onze ouders, onze buren, onze vrienden? Krijgen zij door ons leven zicht op Gods reddende werk? Of zitten we in de kerk en zingen wij uit volle borst, en treken we intussen de gordijnen dicht? Of is ons privé zo voor onszelf dat anderen daar niets van merken? Is onze houding, onze instelling missionair of niet?
Maar hangt het dan van mij af? Het werk van God is niet te keren, omdat Hij erover waakt. Maar Gods werk is ook dat Hij mensen inschakelt. Zegen is ook verantwoordelijkheid. We kunnen toch niet zonder Zijn heil in de Heere Jezus? Als je zelf zonder de Heere Jezus nergens bent, dan hou je dat toch niet voor jezelf? Als jij het licht gezien hebt en gevonden, dan nodig je anderen toch ook uit? Dan wil de wereld toch vertellen dat Hij onze God is? Onder dat woord onze zou een dikken streep moeten staan. Niet alleen het individuele. Het gaat niet vanzelf. Denk aan Zimbabwe, waar Mugabe koste wat kost aan de macht wil blijven. Enorme aantallen vluchtelingen, onderdrukking, opstanden. Maar ook dichterbij: de kerk brokkelt af, de prognoses worden naar benden bijgesteld. Heel wat tentenmakers in China moesten het veld ruimen. In Libanon dreigen de christenen die er nog zijn tweederangs burgers. Wordt het nog wel wat met dat Koninkrijk van God?
Zo kijken wij, zo praten wij. Wat zegt deze dichter? Hij wil ons op de toonhoogte van God brengen. Die zegen van God in vers 3, daar verlangen we toch naar dat ze Zijn heil gaan ontdekken? De einden van de aarde zullen U vrezen. Het wordt met zoveel nadruk gezegd en er ingehamerd. Het wordt 2 keer en met nadruk gezegd. De volken zullen tot Hem komen. Ze zullen het zien, Zijn zoon, Zijn heil. Ze zullen Hem leren kennen, de God bij wie ik mag schuilen.

Hij kent mij, wie ik ook ben en hoe ik ook in elkaar steek. Is dat wereld vreemd? Ja, voor de wereld die God niet kent is dit vreemd. Niet voor het volk van God, niet voor de gemeente van de Heere Jezus. Psalm 67 is geen eenzame hoogvlieger, maar brengt ons met andere Psalmen op de toonhoogte van God... De dichter laat zich door de omstandigheden niet van de wijs brengen. Dacht je nu echt dat God de mensen die Hij zelf gemaakt heeft zomaar zou laten gaan? De wereld is van God en die laat Hij niet los. En daarin komen we bij vers 5, de diepste reden van dit loflied, van het vertrouwen van deze dichter. Want het is God die rechtvaardig regeert en leidt. Hij zet de zaken recht en leidt de volken. Dat is de lijn van God. Dat is Gods ingrijpen. Hij die Zijn wereld niet opgeeft. Dat is het perspectief van God uit. Dat is het verlangen dat Gods geest in zijn hart legt. Daarom zingen en bidden we psalm 67. In de kerk, maar met de gordijnen open. Opdat die wereld het zal zien in ons leven, door ons heen. Dat ze vol eerbied gaan meezingen: de volken zullen u loven, Heere, allemaal.

Edit