Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2008-05-11 17:00:00 ds. P.J. Teeuw (Papendrecht)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Gal 4:6 Rom 8:1-15 Gal 4:1-7 2008-05-11.1713.mp3 (Preek, 16kPro, 5.3Mb)
2008-05-11C.175.mp3 (Hele dienst CD kwaliteit, 48kPro, 26.7Mb)
2008-05-11T.171.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 0.1Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Hoe rijk is het om een kind van God te zijn. De Heilige Geest woont dan in onze harten en roept in ons: “Abba, vader!”. Een bekend lied. Wie denkt dat die Vadernaam vanzelfsprekend over je lippen komt, heeft ongelijk. Als u de gebeden in het Oude Testament leest, merkt u dat de gelovigen God nooit als Vader aanspreken. In Maleachi zegt God: ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? Er zijn nog wel een paar teksten waarin God als Vader van het volk Israël voorkomt. Maar niet als Vader in de gebeden van de gelovige Israëliet. Hoe komt dat dat je die Vadernaam nauwelijks aantreft in het Oude Testament? Er is een uitwendig en een inwendige reden. In het Oude Testament was het volk Israël omgeven door heidense volken. Die dachten dat de mensheid is voortgekomen uit de godheid en in zijn kern goddelijk is. Er zijn wel verschillen, maar toch is de mens goddelijk, is hun gedachte. Vandaar die vader-kind relatie. Tegen die gedachte verzet zich het hele Oude Testament. Het Oude Testament wil onderscheid blijven maken tussen God en mens. Wel het kroonjuweel, bijna goddelijk (psalm 8), maar hij blijft mens. Als de gelovige Israëliet God teveel als Vader zou aanroepen, zou het voor de hand liggen dat het onderscheid tussen God en mens te weinig naar voren kwam. Daarom sprak de Israëliet God bijvoorbeeld aan als Schepper, Koning, Heere. Dat wijst op een afstand. Er was dus een schroom om God als Vader te noemen. Voor Israël is God wel een Vader, maar de Israëliet neemt de Vadernaam nauwelijks op de lippen. Maar er is ook een inwendige reden waarom we in het Oude Testament die Vadernaam bijna niet tegenkomen. De gelovige Israëliet in het Oude Testament kende niet de inwoning van de Heilige Geest die in ons roept: abba, vader. Als we kijken naar het Nieuwe Testament vallen ons een paar dingen direct op. De Heere Jezus spreekt God direct aan als Zijn Vader. Bijvoorbeeld in Mattheüs 11, of tijdens de worsteling in Gethsemané, en ook in Johannes 12: 27, 28. In dit gedeelte gebruikte Jezus dat woord “Vader” dus wel. Dat zal veel Joden geschokt hebben. Nog schokkender wordt het, als we bedenken dat de Heere Jezus Zijn vader aansprak met “abba”, het Aramese woord voor Vader. Dat weten we uit Marcus: “Abba, Vader, neem deze drinker van Mij weg........” Marcus heeft het Griekse woord “vader” toegevoegd voor de Griekse lezers van het evangelie van Marcus.
Het woord “abba” heeft een vertrouwelijke klank en lijkt op ons woord “papa”. Oorspronkelijk heeft het die betekenis wel gehad, maar betekent nu gewoon het woord vader. Er sprak wel iets intiems uit. Dat moet schokkend voor de Joden geweest zijn ten tijde van Jezus. De Zoon van ene timmerman uit Nazareth durfde God aan te spreken als Vader! Dat riep wellicht de gedachte op dat de Heere Jezus gedacht zou hebben dat Hij ook goddelijk was. En inderdaad, daarom mocht Jezus God vrijmoedig aanroepen als Zijn vader. Hij is de Zoon van de levende God. Daarin klinkt het diepste geheim door van Zijn wezen. Toen Kajafas het op de kernvraag aan liet komen: zeg mij of gij de Christus zijt, de Zoon van de levende God, en als antwoord kreeg: Gij hebt het gezegd. Wat het nog verbazingwekkender maakt, is dat de Heere Jezus het Zijn discipelen nu ook leert om God aan te spreken als Vader. Mattheüs 6: Maar gij, wanneer gij bidt, ga in de binnenkamer en bidt tot uw Vader die in het verborgen is. En uw Vader die in het verborgen is, zal het u in het openbaar vergelden. Onze Vader die in de hemelen zijt............Toen de Heere Jezus opgestaan was uit de doden, zei Hij tegen Maria Magdalena: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, tot Mijn God en uw God. De discipelen mogen God als Vader zien en Hem zo ook aanroepen in het gebed. Waarom dit verschil met de gelovigen van het Oude Testament? De Nieuw- Testamentische gelovigen mogen de inwoning van de Heilige Geest kennen, op grond van het volbrachte werk van de Heere Jezus. De Nieuw-Testamentische gelovigen mogen en kunnen nu wel zeggen: Abba, Vader. Er was dus een uitwendige reden waarom de Oud-Testamentische gelovigen Hem nog niet als Vader aanspraken, maar ze konden het ook niet omdat de Heilige Geest nog niet in hen woonde. Dat is een groot verschil tussen de Oud-Testamentische en Nieuw- Testamentische bedeling. De Heilige Geest openbaart zich dus anders in het Oude Testament dan in het Nieuwe Testament. De positie van de gelovigen onder het oude en nieuwe Verbond, legt Paulus in ons teksthoofdstuk uit. Paulus zegt: de beloften in het Oude Testament waren wettisch getint. Ook al zagen zij op de komende, de Heere Jezus Christus en en werden zij alleen door Hem zalig. Maar de beloften waren verwikkeld in een wettisch kleed. Zo moesten ze allerlei wetten over de offers leren, waren en reinigings- en kledingvoorschriften, etc. Paulus spreekt in Galaten 4 over de dienstbaarheid van de wet. Paulus neemt het beeld van een kind dat wel erfgenaam is van de vader, maar staat nog onder een voogd. De Oud-Testamentische gelovigen waren ook erfgenamen van de Heere Jezus en Zijn heil, maar ze waren nog onder toezicht, onder een voogd. In die periode verschilt de positie van een kind weinig van die van een dienstknecht. Ze waren aan handen en voeten gebonden aan de wetten van Mozes. Ze moesten al die wetten nog nakomen en betoonden daarmee de gestalte van een dienstknecht. Onmondig, niet vrij. Maar dat is veranderd door de komst van Christus naar deze aarde. Daardoor is depositie van de gelovige geheel veranderd, Christus is in de volheid van de tijd geboren, opdat Hij degenen die onder de wet waren verlossen zou en opdat wij de aanneming tot kinderen zouden verkrijgen. De Oud-Testamentische gelovigen lagen ook onder het oordeel en de vloek van de wet. Maar dat heeft de Heere Jezus weggedragen en ons daarvan verlost. Hij heeft ons ook verlost van al die ceremoniële wetten. Dat was het eerste doel: verlost van de wet. Tweede doel: de aanneming tot kinderen. Op grond van het werk van Christus. God heeft ons daardoor geadopteerd als Zijn kinderen. Maar de Oud-Testamentische gelovigen waren toch ook kinderen van God? Ja, maar als Paulus dit schrijft, bedoelt hij dat we nu vrije kinderen van God zijn, bevrijd van wetten en regels en niet meer hoeven te leven met de angst of we alles wel houden. Er is een eind gekomen aan de minderjarigheid van de gelovigen. Ze zijn nu volwassen kinderen van God geworden. Die vrijmoedig mogen toegaan. De positie van een Nieuw-Testamentische gelovige is nu wel vrij. Daarbij hoort nu ook de komst van de Heilige Geest. Vandaar dat Paulus schrijft: omdat u vrije kinderen bent, niet meer gebonden aan de wet, zo heeft God de Heilige Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten die roept: Abba, vader! Paulus zegt tegen de gelovigen in Galatië: die Heilige Geest roept nu in u: Abba, vader!
Paulus spreekt nu over heel rijke en diep geestelijke zaken. Moet de volgorde hier niet anders zijn? Namelijk: omdat God de Heilige Geest in uw harten heeft uitgezonden, daarom bent u nu een kind van God? Toch draait Paulus het hier om: omdat u kinderen van God bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon in uw harten uitgezonden. Beide is waar, gemeente. Er is een werking van Gods geest TOT het kindschap en een werking van de Heilige Geest VANUIT het kindschap van God. Op het eerste valt hier de nadruk. Omdat Paulus het grote onderscheid wil laten zien tussen de gelovigen van het Oude Verbond en van het Nieuwe Verbond. Ze zijn aangenomen, de gelovigen van Galatië, tot vrije kinderen van God. De Oud- Testamentische gelovigen kenden wel de werking van de Heilige Geest TOT het kindschap van God, maar niet de werking VANUIT het kindschap.
Dit zijn grote woorden, denkt iemand, Hoe weet je nu dat je een kind van God bent? Dan heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten. Daaraan kun je weten dat je een kind van God bent. Maar hoe weet je dat die geest in je hart is komen wonen? Hij schrijft: de Geest van de Zoon, en niet de Heilige Geest... Ook de Heilige Geest moest als het ware weer door Christus verdiend worden. Daarom is het de Geest van de Zoon. Tegelijk wil Paulus ons leren wat het werk van de Heilige Geest is. Die werkt immers altijd op Christus aan. De Heilige Geest verheerlijkt Christus en Zijn volbrachte werk. Die Geest heeft God nu uitgezonden. Het woord “uitgezonden” spreekt Paulus niet zomaar, maar denkend aan Pinksteren. Dezelfde Geest die toen uitgezonden werd, is nu uitgezonden in uw harten. De Heilige Geest grijpt de mens aan in het diepst van zijn hart, het centrum van zijn leven. Dan krijg je een bron van binnen, in denken en gevoelen. Om ons te schenken wat we nodig hebben. Hier in dit leven en straks in de hemel.
Wat een wonder dat de Heilige Geest woont en werkt in van nature boze harten. Hij maakt daar een tempel van, een woning, waar Hij toe-eigent wat we in Christus hebben. Maar er is ook een andere kant: als je buiten die inwoning van de Heilige Geest staat, ben je geen kind van God, en lig je nog verloren. Daarom is het zo belangrijk om te weten of die Geest in ons hart is uitgezonden. Hoe kan je dat weten? Als je denkt aan je zonden en twijfels, kun je je afvragen of de Heilige Geest wel in je hart woont, De tekst geeft ons dan een troostrijke aanwijzing: als die geest in je hart is gekomen, doet hij ook iets: de Heilige Geest, de Geest van de Zoon, gaat in ons roepen. Dat is een kenmerk. Die geest roept: Abba, Vader! Wat een rijkdom. Je merkt hier een accentverschil met Romeinen 8: 15. Daar schrijft hij, dat WIJ roepen door de Heilige Geest. Hier staat dat de Heilige Geest roept IN de gelovige. Natuurlijk bedoelt Paulus hier niet dat de Heilige Geest roept buiten ons om. Maar hij bedoelt: het is uiteindelijk het werk van de Heilige Geest. Niemand mag dus eigenmachtig God zo noemen; Paulus verbindt het aan de aanneming tot kinderen. Van nature heeft geen mens direct de toegang tot God als vader. Wat een rijkdom om zo door de Heilige Geest God al Vader aan te mogen roepen. Daar hebt u weer het verschil tussen de Oud-Testamentische en de Nieuw-Testamentische gelovige. De laatste mag God aanroepen als Vader. Daarom is zijn positie heerlijker dan die van de gelovige in het Oude Testament. Moet je daar dan maar op wachten? Nee, want de Geest roept dat op een bepaalde manier. Wanneer legt Hij nu die Vadernaam op onze lippen? Als u in een positieve stemming bent? Lekker gezongen hebt? Een goed gevoel hebt? Je kunt die vadernaam ook te gemakkelijk op je lippen nemen. We moeten bedenken dat de Heilige Geest altijd de Geest van Christus is. We kunnen God alleen als Vader aanroepen in en door het geloof in Christus. Wanneer Hij heerlijk voor ons wordt als de weg, de waarheid en het leven, roept de Heilige Geest in ons: “Abba, Vader!” Wanneer wij ons gelovig overgeven aan Christus, legt de Heilige Geest het op onze lippen. Daarom moet de Heere Jezus voor onze ogen geschilderd worden. In de weg van overgave in het geloof in Christus alleen, geeft de Heilige Geest ons die Vadernaam. Alleen in en door Christus zijn we aangenomen tot kinderen en gaan we God zien in Zijn Vaderhart, en Hem als Vader aanroepen. Dan doen we dat niet kil en koel, maar met liefde en verwondering.
Dat is alleen mogelijk in Christus. Wie zou er beter voor ons kunnen zorgen dan deze Vader? Wie die Vader mist, mist Christus; wie Christus mist, mist de Geest. En daarmee ook het kindschap van God. Herkent u dat kenmerk van de Heilige Geest in uw hart? Dan mag je met vreugde de Vadernaam op de lippen nemen. Amen.

Edit