Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2008-05-18 10:00:00 ds. C.J. de Groot (Dordrecht)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Han 3:14,15,17 Han 3 2008-05-18.1013.mp3 (Preek, 16kPro, 6.1Mb)
2008-05-18C.105.mp3 (Hele dienst CD kwaliteit, 48kPro, 26.8Mb)
2008-05-18T.101.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 10.6Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
De eerste Pinksterpreek van Petrus is geëindigd in een geweldige climax, zeker als we proberen om met Joodse oren te luisteren. “Zo wete dan zekerlijk het ganse huis van Israël dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft.” Het hele huis van Israël, alle Joden, niemand uitgezonderd. Die moeten zeker weten dat Jezus de Christus is, de Heere, de Kurios. Wat een geweldige ruimte is er bij de Heere. Die boodschap is eigenlijk net als bij Kerst: namelijk dat voor u vandaag de Zaligmaker is geboren, Christus de Heere. De gezalfde, de Heere. In de stad van de grote Koning David. Nu zijn we 33 jaar later bij Pinksteren en krijgen we opnieuw de kerstboodschap te horen. Het heil gaat zich nu alleen verder uitbreiden. Petrus begint met het Joodse volk: want u komt de belofte toe. In de laatste woorden breekt het heil door naar alle volken van de aarde. Zo is het ook gebeurd en het evangelie is naar ons toe gekomen en heeft Rotterdam ook bereikt, 4500 km bij Jeruzalem vandaan. Zo wist Hij mij te vinden, zegt Gods kind. De eerste preek werd bekroond door de heilige Geest met wel 3000 bekeerlingen. Ze namen zijn woord graag aan en werden gedoopt! 3000 gebrokenen van hart en verslagenen van geest mochten hun zondige leven in het water afleggen en er weer gereinigd uit komen. Gewassen in het bloed van Gods Zoon. Ze blinken van Gods genade, liefde en schoonheid.
De volgende dag gaan Petrus en Johannes naar de tempel en treffen daar de kreupele aan die al sinds jaar en dag bij de poort zit. Er dreigt gevaar dat zij zelf te veel eer krijgen, maar daar gaat Petrus juist tegenin. En dan komt het volgende Pinksteren: Gij Israëlitische mannen....... weer de nadruk op dat Joods zijn. Zo willen ze ook aangesproken worden; ze zijn het en God wil zo bij hun hart komen. God de Vader heeft Zijn kind Jezus verheerlijkt. Zij waren Abrahams zaad. De dienaren van Christus worden geroepen om te proberen om het hart van u en jou te bereiken; zo te spreken dat jij je aangesproken weet. Dat is de ernst van het Evangeliewoord, dat alleen zij buitengesloten worden die zichzelf buiten sluiten. Ze zijn nu op de juiste manier aangesproken en daarna gaat Petrus hen beschuldigen. Zij worden betrokken in het gericht van God. De God van Abraham, Izak en Jakob heeft Zijn kind Jezus verheerlijkt. Maar jullie hebben Hem overgeleverd en verloochend. Petrus wil laten horen hoe diep en ernstig hun vergrijp is. Ze hebben geen moordenaar gedood, maar de Zoon van God! Jezus wordt hier genoemd: de “heilige en rechtvaardige, Gods eigen Kind”. Vanuit het Grieks kun je dat ook vertalen als “knecht”. Dan komen we zomaar bij Jesaja 53 terecht, over de lijdende Knecht. De Knecht die God gegeven heeft om te lijden. Zijn leven is lijden; daar heeft God Hem voor gegeven en Hij wilde dat lijden ondergaan. Hij die in de schoot van de Vader was, werd gedood door Zijn eigen broeders en volksgenoten. Daar worden ze nu hier aan herinnerd. Maar wie zich vanmorgen mee laat nemen, is nu geen toeschouwer meer, maar hoort die woorden nu ook met betrekking tot zichzelf. Wie zijn wij dan? Ten opzichte van die heilige en rechtvaardige Heere Jezus ? Er is er maar 1 heilig geweest in deze wereld en daar was geen plaats voor. Wij hebben Hem eigenhandig opgeruimd. Van voor Zijn geboorte af aan was Hij de Heilige; deed Hij nimmer zonde. Deze Jezus hebben jullie overgeleverd. Je hebt de Vorst des levens gedood! U moet niet als toeschouwer luisteren, gemeente. De Vorst des levens is gedood. Hij is de oorsprong van het leven, de bron. Voor het woordje “vorst” kun je ook vertalen: bron, oorsprong. We moeten voor de bron bij Hem zijn. Als wij de Vorst des levens preken als de Bron, de oorzaak van het leven preken....Hij noemt zichzelf ook het leven. Ik ben het leven. Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven; zelfs al ware hij ook gestorven. De dood heeft dan geeneens plaats meer bij de Levensvorst. De Heere Jezus moest de dood in, maar Hij geloofde dat Hij er door heen zou komen. Sommige mensen sterven bewust, en geloven dat ze er door heen komen. Na de dood is het leven mij bereid. God neemt mij op in Zijne heerlijkheid. Alles is daar tegen. Maar je gelooft je er door heen. Dan doe je hetzelfde als Jezus; Hij geloofde zich er door heen. Paulus gaat de dood zelfs tarten: Dood, waar is uw prikkel; hel, waar is uw overwinning. Wie nu eeuwig wil leven, zal zich aan deze Levensbron moeten laven en dat mag ook! Daar is de prediking op gericht om je bij deze Bron neer te zetten en te drinken. De geest en de bruid zeggen kom en die dorst heeft die kome, en die wil, neme van het water des levens om niet. Zo wordt dat leven uit Hem gevoed. Maar die aanklacht blijft hier staan. Julie hebben die Bron van het eeuwige leven gedood. Dat is nu de mens, die in zijn vijandschap de levensadem afsnijdt. Die doodsstaat heeft ons zo in zijn greep, dat we de oorsprong van het leven zelf gedood hebben. We kiezen allemaal voor het leven de dood. Dat begon al in het paradijs. Daarna is het iedere keer weer gebeurd. De springader van het levende water verlaten; gebroken bakken uitgehouwen die geen water hadden. Levend water stroomt, vanuit de bergen of vanuit de aarde. Zodra je water in het midden-oosten in een bak doet, dan is het binnen de kortste tijd bedorven. We hebben die springader verlaten en maken onszelf gebroken bakken die geen water bevatten. Hopeloos mis dus. Deze tekst is eeuwenlang gebruikt om de Joden te blameren. We hebben ons ook nog de rol van het geestelijk Israël toebedeeld. De vervangingstheologie. Alsof wij in de plaats gekomen zijn van Israël. Dat is erg. Maar God gaat door met Zijn volk. Staat u medeschuldig? Ja! Maar ik kan daar niks mee, zegt u. Ik leef 2000 jaar later, hoe kunt u dan zeggen dat ik schuldig ben aan de dood van Christus. Jesaja zei het al: Hij is om onze overtredingen verwond. Om jouw en mijn zondig bestaan. Dat is de oorzaak van het gebeuren op Golgotha. We hebben eigenhandig de bron van het leven vernietigd; opzettelijk de levensadem gestopt. Gij hebt de Vorst des levens gedood. In zekere zin kon het eeuwige Leven niet gedood worden; Hij heeft de dood te niet gedaan door de opstanding. De dood is verslonden . God heeft Hem opgewekt uit de doden, als antwoord van God op de executie van Zijn zoon. Wij hadden hem verstoten. God geve dat u dat mag beamen. Vers 17: de felle aanklacht wordt geplaatst door erop te letten hoe God zelf met Israël om gaat. Hij noemt hen broeders. Ze zijn allemaal kinderen van Abraham, Izak en Jakob. Petrus noemt 2 x het woord “verloochening”. Dat kwam bij hem niet zomaar over de lippen. Hij gebruikt dat woord niet zomaar. Hij heeft zelf de Heere Jezus verloochend. Hij heeft ontkend dat Hij iets met Jezus had. Maar nu mag Petrus zeggen: ik weet dat gij het in onwetendheid gedaan hebt. Als het aan Petrus had gelegen had, had hij nooit meer zijn mond opengedaan. Petrus wil terug naar de wet van Mozes; in die wet wordt verschil gemaakt worden tussen hen die bewust en hen die onwetend zondigen. God ziet die zonden dus als een zonde uit onwetendheid. Jezus bad zelf ook aan het kruis: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Zo heeft God er tegenaan gekeken en zo heeft de Heere Jezus er ook tegenaan gekeken. Dat ze er niet bewust van waren waar ze mee bezig zijn. Daarom kon dit volk ook verzoening krijgen. Door Zijn volkomen offerande. Paulus zegt dat ook, dat hij in onwetendheid de gemeente van God vervolgd heeft. Niet met opgeheven hand, maar in onwetendheid. Die onwetendheid mag op uw en mijn leven betrokken worden. Toen Christus gekruisigd was, waren wij er niet. Maar Hij stortte wel Zijn bloed, opdat het Evangelie van genade aan u en jou verkondigd zou worden. Gedraag jij je nog vijandig tegenover Hem? Als Petrus zijn eerste Pinksterpreek begint, lees ik in Handelingen 2: Gij Joodse mannen en gij allen die te Jeruzalem woont: dit zij u bekend. God laat de onwetendheid wegnemen; dit zij u bekend. Laat mijn woorden nu tot je oren ingaan. Dan hoeft u niet aan allerlei voorwaarden te voldoen; Hij stierf voor vijanden en goddelozen. Als het Woord gepredikt wordt, dan blijft er vanaf nu geen onwetendheid meer over.
Heeft u er alles voor over om nu vanmorgen dit te horen? Petrus gebruikt het woord broeders. Daar schaamt Hij zich niet voor.
Toen ze die boodschap hoorden, werden ze verslagen in het hart. Hand 3: 26 zegt: God opgewekt hebbende Zijn kind Jezus, heeft Hem eerst tot u gezonden, opdat Hij u zegenen zou. En Gij u afkeert van uw boosheden.
Tot ons komt ook die aanklacht en we hebben ook uw vonnis gehoord. Hoe is onze reactie daarop? Laten we ons afkeren van onze boosheden. Straks gaat u onder de zegen naar huis. We horen het vaak niet eens meer welke woorden er in zijn. Hij heeft dit woord tot u gezonden, opdat Hij u zegenen zou! Opdat u u afkeert van uw zonden en vrede ontvangt. Verneder u dan, gemeente, onder de krachtige hand van God. Wie kan staande blijven bij zo'n Zaligmaker. Als u dit Evangelie afwijst, doet u het dan nog onwetend? Misschien bent u nog verblind, maar dan is het wel een schuldige verblindheid. De zonde van onkunde is wel schuldige onkunde. We kunnen jaren onder de prediking zitten en dat het ons niets doet. Het is zalig om het van de Heere te verliezen. Zondaar voor God worden is een zaak van zoetheid, omdat de liefde Gods in onze harten wordt uitgestort. Dat geeft onmiddellijk betrekking op de Heere. We vluchten niet van de Heere af, maar naar de Heere toe. Het is schuld als we geen acht geven op de woorden die ons verkondigd zijn. Jezus zegt tegen Zijn discipelen. Wie u hoort, hoort Mij. En wie u verwerpt, verwerpt Mij. Ja, die verwerpt Hem die Mij gezonden heeft, de hemelse Vader. O, dat al die onbekeerlijke zondaren toch eens echt wakker geschud zouden worden, maar dan ook onmiddellijk. Betert u dan en bekeert u! Spurgeon zegt: als je in het water ligt en dreigt te verdrinken en ik gooi een reddingsboei uit, dan grijp je hem en vraag je je niet af of die wel voor jou bestemd is. En achteraf zeg je niet: wat heb ik toch goed die boei gegrepen, maar dan dank je je Redder! Als u nu overtuigd bent van uw zonde, grijp dan nu die boei! Leven, eeuwig leven. U moet gelaafd worden uit de oorsprong zelf, uit de Bron, uit de oorzaak. Dan wil ik Hem ook eren, goed van Hem horen, goed van Hem spreken. Dan begeer je dat dat koor, dat goed van Hem spreekt, steeds groter wordt. Laten we met ons hart zingen, tot eer van God en de Heere Jezus: gezegend zij de grote Koning die tot ons komt in 's Heeren Naam. Dan zullen we eeuwig zingen. Hier in de kerk zijn er mensen die zwijgen. Maar daar niet. Ik wil zingen van mijn Heiland, van Zijn liefde wondergroot, hoe Hij stierf voor mij aan 't kruishout en mij redde van de dood. Amen.

Edit