Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2008-07-27 17:00:00 ds. A.W. van der Plas (Waddinxveen)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Heb 11:5 Gen 5:18-24 Heb 11:1-6 2008-07-27.1713.mp3 (Preek, 16kPro, 4.9Mb)
2008-07-27C.175.mp3 (Hele dienst CD kwaliteit, 48kPro, 26.1Mb)
2008-07-27T.171.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 69.7Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Henoch wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.

‘Zijn leven was werken’ staat soms in overlijdensadvertenties. Meer was er blijkbaar niet te zeggen over de overledene. Ook zijn kinderen moeten het zeggen: ‘Hij was altijd aan het werk, had nooit tijd voor ons. Zijn werk was zijn leven.’
Soms staat ook in een overlijdensadvertentie: ‘Haar leven was dienen.’ Dat is iets heel anders. Leven in de dienst van God en anderen. Vaak staan in rouwadvertenties positieve teksten over de overledene. Over de doden niets dan goeds, zegt men dan. Maar soms is het de vraag of er niet meer over de dode te zeggen was.
Ook over Henoch lezen we na zijn heengaan een positieve boodschap: hij wandelde met God. Henoch was de zevende in de geslachtslijn van Adam. Van zijn voorouders wordt weinig gezegd, behalve dat ze geboren worden, kinderen krijgen en sterven. Het nageslacht van Seth is niet beter dan dat van zijn broer, Kaïn. Wel wordt er van Seths nageslacht gezegd dat men de naam van de Here begint aan te roepen.
In het nageslacht van Kaïn spelen uitvindingen en cultuur een grote rol, terwijl God niet ter sprake komt. Deze goddeloosheid vindt zijn hoogtepunt bij de zevende uit het geslacht van Kaïn: Lamech. Hij zegt van zichzelf dat er geen einde komt aan het geweld. Dat zien we ook terug in de huidige wereld: een grote rol voor techniek en cultuur, geen plaats voor God en geen einde aan het geweld.
Henoch is door Gods genade een heel ander mens. Hij is ook de zevende van zijn geslacht, maar bij deze zevende vindt Gods genáde een hoogtepunt. Henoch leefde met God. Dat betekent dat hij God heeft ontmoet. Van zichzelf liep Henoch bij God weg, net zoals wij altijd de neiging hebben de verkeerde kant op te gaan. Maar God wees hem de weg, Hij nam hem als een kind bij de hand. Hoe dat wandelen met God precies ging, weten wij niet. Wat we wel weten, is wat in Hebreeën 11 staat: het was door het geloof dat Henoch met God wandelde.
Uit Genesis 5 blijkt dat Henoch na de komst van het nieuwe leven in zijn tent, met de geboorte van Methusalem, ook het nieuwe leven met God leerde kennen. We weten niet of het een krachtdadige bekering is geweest, of dat het een doorbreken was van iets dat vanaf zijn jeugd in hem gegroeid was. Maar één ding is duidelijk: God nam hem mee op de weg van het geloof. Ook nu is het zo dat de meeste gelovigen niet een moment kunnen aanwijzen waarop God hen bekeerde. Toch zul je vaak achteraf zien dat God je al langer leidde, dat Hij je leven al veranderde voor je Hem kende.
Hoe meer je zicht krijgt op de opzoekende genade van God, hoe groter het wonder wordt: God wilde wandelen met een onbetekenend mannetje als Henoch, en zelfs ook met u en met jou. Misschien zegt u: ‘Maar Here, U weet toch hoe ik ben, dat ik van mezelf de verkeerde kant op wil?’ ‘Ja,’ zegt God dan, ‘maar daarom roep Ik je juist! Ik wil dat je behouden wordt!’
Uit Henochs leven bleek dat hij God kende. In de Bijbel staat maar zelden dat iemand ‘wandelde met God’. Wel zijn er veel mensen in de Bijbel die achter Hem aan gaan, maar het ‘wandelen met God’ is intiemer. Het is als een kind dat aan de hand van vader en moeder wandelt, of twee geliefden die samen wandelen. Als je een verliefd stelletje ziet wandelen, hebben ze alleen oog voor elkaar. Ze zijn op elkaar gericht, ontspannen. Het is dan geen marcheren, maar genieten van elkaar en elkaars gezelschap.
Zo was ook het leven van Henoch: driehonderd jaar lang was zijn handel en wandel op God gericht. Hij leidde een biddend leven: hij luisterde naar wat God zei. Maar ook stond hij midden in het leven van elke dag. In Genesis 5 staat: hij gewon zonen en dochters. Hij had dus een gezinsleven, was stamhoofd en had de verantwoordelijkheid voor veel mensen. In dat alles wandelde hij met God; alles werd gekenmerkt door geloof. Overal waar Henoch was, ging God met hem mee.
Wanneer je bent als Henoch, ben je helemaal op God gericht. Net als dat verliefde stelletje: je kijkt niet naar een ander, maar je kunt je gebed niet meer missen. Het stille leven met God wordt dan gevoed vanuit de binnenkamer en krijgt handen en voeten in het leven van elke dag. Wandelen met God is leven vanuit het woord. In de catechismus wordt het genoemd: ‘een ernstig voornemen om naar alle geboden van God te leven’. Dat vraagt om zelfverloochening. Elke dag word je geconfronteerd met een volle agenda, verleidingen van de wereld, bestrijding door de boze. Elke dag moet je dan ook vragen om een nieuw geloof.
En dat zal worden gezegend. Henoch heeft het ‘getuigenis’ gekregen dat hij God behaagde. De schrijver van de Hebreeënbrief heeft een voorkeur voor het woord ‘getuigen’: hij gebruikt het meerdere keren als het gaat om het geloof.

In de brief van Judas lezen we dat Henoch heeft gewaarschuwd voor het komende gericht, dat hij de mensen om hem heen tot bekering heeft geroepen. Hij zag hoe het kwaad toenam, ook in het geslacht van Seth. Hij kon niet langer zwijgen: als je door God bent aangeraakt, word je bewogen. Niet om te oordelen, maar om te behouden. Er zijn altijd mensen die precies kunnen aanwijzen wat de schuld van anderen is. Maar wanneer je hen naar hun eigen geloof vraagt, staan ze met de mond vol tanden. Daar kunnen ze niets over vertellen. Dit zijn vaak harde, koude mensen, die de zaak van God al veel kwaad hebben gedaan. Maar wanneer je de liefde van God hebt leren kennen, waarschuw je anderen in liefde. Henoch was hierin een voorafschaduwing van Christus. Die werd ook veracht om zijn prediking en niet geloofd.

Henoch beleed wat hij leefde en leefde wat hij beleed. Zo’n leven is tot een zegen, ook al zie je dat niet altijd direct. Misschien zijn er mensen in je omgeving die je graag bij God zou willen brengen, maar die zelf niet willen. Misschien is hier een vader, die zijn zoon niet meer kan bereiken als het gaat om geloof. Wulfert Floor zei hierover: ‘Toen mijn kinderen klein waren, sprak ik veel met mijn kinderen over God. Nu mijn kinderen groot geworden zijn, spreek ik veel met God over mijn kinderen.’ Henoch had soms ook het gevoel dat hij tegen een muur praatte. De mensen in zijn omgeving stonden niet open voor zijn boodschap, maar Henoch hield niet op: God trok met hem mee. Hij wierp al zijn zorgen op God. Misschien herkent u dat: dat God zo dichtbij is dat u uw zorgen op Hem kunt overdragen.
Henoch kon zijn hart uitstorten bij God. ‘Hij neigt zijn oor tot mij.’ Dit doet denken aan een vader die wandelt met zijn kind. Het kind wil iets zeggen tegen zijn vader, maar het durft niet. De vader zegt dan: ‘Als je het niet hardop durft te zeggen, zeg het dan maar zachtjes in mijn oor. De vader buigt zich over naar het kind. Zo neigt God zijn oor tot ons. Wij mogen dan in al het goede dat we ontvangen, Gods hand zien: Hij geeft ons kracht. God houdt ons overeind en maakt ons vrij. Al onze zorgen mogen we achterlaten bij God. Dat vergeten we nog wel eens: dan brengen we onze zorgen bij God, maar nemen we ze daarna weer mee terug.

Henoch getuigde niet alleen over God, maar God ook over Henoch. Hij kreeg getuigenis dat hij Gode behaagde. God zegt (ook tegen ons): ‘Ik neem je aan tot mijn kind, Ik heb je in mijn beide handpalmen gegraveerd.’ Dat is een wonder. U vraagt aan God: ‘Hoe kan ik U behagen? Ik val mezelf al steeds tegen, hoe kan ik dan ooit U behagen?’ Dit is het antwoord: God rekent ons toe wat Jezus gedaan heeft. Zijn genade is jou genoeg. Als God ons aanziet in Christus, ziet hij het volbrachte werk van zijn Zoon. Er is dan geen ongerechtigheid of zonde. Ook al ontbreekt ons alles, Hij schenkt het ons mild en overvloedig. Hij drukt ons aan zijn hart: ‘Jij bent van mij, ik laat je nooit meer gaan!’
Wandelen met God kan alleen door het geloof. Iedereen wil wel met God sterven, want wie wil er niet naar de hemel? Maar de vraag is: willen we ook met Hem leven? God getuigde dat Henoch Hem behaagde. We weten niet precies hoe Hij dat getuigde, maar ook nu nog laat God soms merken dat we Hem behagen. Dat kan zijn in gebed, door een bijbellezing, of door een lied waarin God je aanspreekt.
Als je met God wandelt, ga je merken hoe goed Hij is. Er is geen einde aan zijn goedheid: ‘Milde handen, vriend’lijk’ ogen, zijn bij U van eeuwigheid’ (Psalm 25). De Heilige Geest leert je roepen: ‘Abba, Vader!’ Dan komt er een beginsel van eeuwige vreugde in je hart. Het is er maar bij tijden en ogenblikken, maar wat God geeft, maakt Hij af.
Henoch was een prediker van de gerechtigheid, maar niemand geloofde hem. Toen nam God hem weg. Enerzijds was dat een oordeel voor de mensen om hem heen. In de tijd van de eerste martelaren in Nederland schreeft Luther een brief aan de Nederlandse kerk. Hierin vergeleek hij Gods genade met een regenbui: die kan overgaan. Als je nat wilt worden, moet je nú in de regen gaan staan. Zo was het ook met de prediking: Gods geduld raakte op. De mensen wilden niet luisteren naar Henoch, daarom nam God de regen van de prediking weg. Als het woord dicht gaat, blijft alleen de duisternis van de dood over. Dat gebeurde toen Henoch weggenomen werd. O, de mensen lieten er geen traan over. Dat sombere gepreek van die Henoch, daar werd je alleen maar droevig van. Ze zouden hem niet missen. Maar ze hadden niet gemerkt dat God door hem heen sprak.
Uit de Bijbel kunnen we opmaken dat de mensen in die tijd Henoch weg wilden hebben. Ook nu kennen we dat, dat mensen zeggen: ‘Wat denken die christenen wel? Altijd dat gepreek, laten ze ophouden.’ Soms kan het zich ook manifesteren in schijnvroomheid. Kerkmensen die altijd iets hebben aan te merken op de prediking.

Henoch werd niet gevonden omdat God hem had meegenomen, de poort binnen. Ze wandelden samen, en God zei tegen Henoch: ‘Nu zijn we al zo lang op weg, nu heb je al zo veel gezien, laten we nu maar samen doorlopen. Je hebt vanuit de verte al iets gezien van de heerlijkheid, nu zul je er zelf in zijn.’
De dood legde Henoch niets in de weg; hij werd in een ogenblik veranderd en tot God genomen. Ook in zijn heengaan wees Henoch naar Christus, in wie God een weg baande naar de hemel. Niemand van ons kan de dood ontgaan; Henoch en Elia waren uitzonderingen. Maar hoe zal ons levenseinde zijn? Het levenseinde is een vervolg op onze levenswandel. Henoch ging relatief jong heen, op ongeveer eenderde van de normale leeftijd in die dagen. Net als Jezus. Bent u al met God op weg? Dan ligt de bestemming vast.

Henoch werd ongetwijfeld gemist door zijn gezin. Maar wanneer de kinderen vroegen: ‘Moeder, waar is vader nu?’, wist moeder het antwoord: ‘Hij wandelde met God, dat was z’n lust en z’n leven. En nu is hij voor altijd thuisgekomen.’

Edit