Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
lezing 2006-06-08 19:45:00
ds. M.M. van Campen (Rotterdam-Zuid)
"Maranathakring". 6e avond. | Ezechiëlboek hoofdstuk 5.

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
Eze 18 AG859.__1.mp3 (, 48kPro, 10.8Mb)
AG859.__2.mp3 (, 48kPro, 21.6Mb)
Maranathakring over Ezechiël

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Zie Kerk op Zuid van mei voor meer over deze "Catechisatie Plus". De avonden bestaan uit twee delen: gebedskring voor heel de gemeente, na de pauze diepere Bijbelstudie in Ezechiël nav een boekje van de IZB. Het geheel staat onder de leiding van onze wijkpredikant



Persoonlijke verantwoordelijkheid

Eerst nog wat over Ezechiël 14:1 en daarna 18.

14. De oudsten komen Ezechiël raad vragen in hoofdstuk 13. Ze hebben hun hart vol van drekgoden (14:3), zegt de Heere.
14:12-23 Vier strafgerichten en drie rechtvaardigen. Als een land tegen Hem gezondigd zal hebben zal de Heere hen straffen: 1. de staf des broods zal verbroken – broden waren rond en plat met een gat in het midden – ze hingen aan een stok - dus als die staf gebroken zal worden betekent dat honger. Ook al zouden Noach, Daniël en Job in hun midden zijn (14), drie tzadikiem –rechtvaardigen. Rechtvaardigen – maar ze waren ook voorbidders, Job voor zijn kinderen en vrienden, Daniël voor zijn volk, Noach voor zijn tijdgenoten. Noach wandelde ook met God, staat er. Noach sprak met God over zijn tijdgenoten en bad tot Hem, en tot zijn tijdgenoten sprak hij over God. Maar: ze zouden alleen hun eigen ziel redden.
2. Wilde dieren (15). Als het land leeg en uitgeroeid is, ‘groeien’ er alleen wilde dieren – altijd een beeld voor vreemde volkeren. (Dan. 7).
3. Het zwaard (17) – er komt oorlog.
4. (19) pestilentie. Allerlei ongeneselijke ziekten
In Openbaringen 6 komen dezelfde strafgerichten weer naar voren.

Hoofdstuk 18. De persoonlijke verantwoordelijkheid
Het volk heeft drie verwijten aan God.
1. (1-18) “Onze vaderen hebben gezondigd en wij zin de dupe”. De Heere vindt het een onzinnig spreekwoord, met eerbied gesproken, hoe komen jullie erbij! Alle ziel is van mij; de ziel, die zondigt, zal sterven. Een drie generatie-voorbeeld gebruikt de Heere. (5-9) Een rechtvaardige vader, (10-13) een goddeloze zoon, (14-18) een vrome kleinzoon.

Die rechtvaardig is en leeft; het wordt heel concreet ingevuld. Die niet eet op de bergen. Daar waren de ‘hoogten’ waar afgoderij werd bedreven (cultische maaltijden). (Noot: De Heere Jezus heeft het over een huis, dat met bezemen gekeerd wordt, het is tijdelijk schoon – maar er komt geen Heilige Geest in. Dan komt die ene geest 7x erger terug: Zo het volk Israël: voor de ballingschap zat er afgoderij in. Het huis was schoon, maar ze hebben de Koning verworpen. Als het beeld van antichrist in de tempel wordt gezet keert het 7x erger terug.)
gen opheffen is altijd verwachtingsvol. Geen overspel, niet naderen tot een vrouw die menstrueert (6). Wandelen, (halaga).
Dit is de rechtvaardigheid waar Jacobus over spreekt. Hij doet dingen wel en niet. Hij houdt rekening met beide tafelen van de wet.
Die rechtvaardige zal gewisselijk leven. “Levende zal hij leven”. (KT: naar ziel en lichaam behouden worden). Rambam (een van de grootste Joodse middeleeuwse Bijbel verklaarders): dat geldt voor het aardse en het eeuwige leven. 1 Joh 4: als iemand zegt God lief te hebben maar zijn broeder haat: hij is een leugenaar; hoe blijkt dat iemand door geloof gerechtvaardigd is? Door zijn levenswandel.

De zoon is een inbreker (8e gebod) en moordenaar (6e), overspel – al die dingen doet hij wel. Hij zal de dood sterven. Het kind zal niet zo maar de positieve eigenschappen van zijn vader erven. De zoon is zelf verantwoordelijk.

En zie, hij heeft ook een zoon; maar een rechtvaardige kleinzoon. “zie nou toch eens”. Hij wordt niet gestraft voor het kwaad van zijn vader. Die kleinzoon ziet dat aan – wat een aanklacht. Maar doet hem niet na. Hij zal gewisselijk leven.
Genade is geen erfgoed, maar het oordeel evenmin!

19-24, het tweede verwijt. Het volk zegt, er is toch een verband. Maar de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader. Exodus 20: “Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;” dwz de anderen geslachten haten Hem ook! De haat wordt vaak wel overgenomen. “Elisa; Huh! Dat noemt zich een profeet. Wat denkt die wel, met zijn kale kop”. Dat hebben die pubers overgenomen. (2Kon 2:23) [Het woord voor jongen (na-ar) is volgens het woordenboek een huwbare jongeman (en daar dan `kleine`voor)]
De gevolgen van de zonden van ouders kunnen wel doorwerken, als beschadiging in het volgende geslacht. Maar niet als straf.
De zegen gaat door tot in het duizendste geslacht!
De Heere had het over die drie geslachten toen het volk in tenten leefden, vader, opa en oma, kinderen en klein kinderen zaten allemaal bij elkaar. Het hele gezin wist af van de bekonkelingen van Abiram - en toch waren er kinderen van Korach die genade ontvingen!

(21-23) Maar – wanneer de goddeloze zich bekeert... hij zal gewisselijk leven, zijn overtredingen zullen hem niet gedacht worden – God werpt ze in een zee van eeuwige vergetelheid. Dit is het hart van God. De deur van de Heere zit niet dicht. De straf zal worden gedragen door de Man van smarten. De straf is op Hem... Het vaderhart van God klopt hier... Bij de Heere krijg je niet op je ziel, maar voor je ziel... Het gaat Hem aan Zijn hart. ‘Hoe kunt u denken dat Ik om Mij zelf te plezieren de goddeloze dood?’ Hij wil dat niemand verloren gaat, maar dat ze tot bekering komen. Een rechtvaardige kan wel met de Vaderlijke tucht te maken krijgen.
Gert-Jan Harmsen wilde als jongetje al dominee worden, op 13 jarige leeftijd is hij overleden. Hij schreef preekjes. O.a. dit: onze dood is het tegenovergestelde van wat God wil en Christus vecht ervoor om ons te behouden. Zo’n gewillige Zaligmaker hebben wij.

Een derde verwijt (25-29), het volk zegt dat Gods wegen krom zijn. Toch nog. De ‘argumenten’ worden herhaald.
Het geldt voor het individu.

Het eindigt met een oproep tot Israël (30-32). Als een individu zich bekeert zal hij leven, en zo geldt het voor het hele volk ook. De rabijnen zeggen: dan is de weg geplaveid voor de Messias.

Maakt u een nieuw hart en een nieuwe geest. Maar zie 36:26. (en Ez 11:19) Oproep en genade gift. Niet eenzijdig. Niet wij moeten het doen, en niet: wacht maar af tot God het doet. God doet het, tegenover de menselijke verantwoordelijkheid. Het zijn twee touwen over een katrol – als je je aan één touw vasthoudt val je naar beneden. Je wordt of heel actief of heel passief. Alleen met beide touwen blijf je hangen. Het zijn geen twee tegenovergestelde dingen. Twee vrienden hoef je niet met elkaar te verzoenen, zei Spurgeon.
1Joh 3: het gebod om te geloven in de naam van de zoon, en geloof is een gave van God. Of ook: “werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven: Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.” (Fip 2:12-13)

Wat je ook ziet is, dat de geboden gebeden worden. Geloof! Heere vermeerder mijn geloof. Maak u een nieuw hart: David bad (ps 51) schep mij een nieuw hart. Jer 3. Bekeert u o huis van Israel. en :Heere bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.

Waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls – het hart van God, Dat mogen we uitragen naar anderen.

Ik heb geen GEEN lust in de dood van de stervende, bekeert u opdat gij leeft. Bekering is geen doel, maar middel om het leven met God te ontvangen. Dat is de heilswil van God. Het behoud van Israël.

Maar hoe zit dat dan met de “Erfzonde”? Hoe is dat overerfbaar? De term erfzonde komt niet in de Bijbel voor. In de dogmatiek wordt onder onderscheiden: erfsmet en erfschuld. De erfsmet is voluit Bijbels. Maar de erfschuld is dat niet. Schuld is in de Bijbel nooit overerfbaar. Dat is de les van Ezechiël. Ik draag als nakomeling van Adam niet voor de zonde van Adam. Dat zou ook niet `eerlijk` zijn. Wel de erfsmet – de gevolgen van de zonde van Adam - die draag ik mee. Wat uit vlees geboren is, is vlees. Uit een onreine kan geen reine geboren worden. Psalm 51 zegt dat ook: in zonde ontvangen is die smetlijn.
Dan is het ook niet te verdedigen, dat een pasgeboren babytje een voorwerp is van God’s toorn. Kijk eens naar psalm 51:7,

Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.

En vergelijk dat met de berijmde versie (uit 1773)

3 't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf;
Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren.
Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toren,
Reeds van het uur van mijn ontvang'nis af.

De vierde regel is echt niet terug te vinden in de Bijbel. De toorn van God openbaart zich over bedreven zonde, Col 3:5-6. Over de dingen die bedreven worden, die voortkomen uit onze zondige natuur.
Babytjes hebben een zondig hart. Zeker, ook daarvoor wordt een offer gebracht in Leviticus. Maar ze zullen niet verloren gaan vóór de grote witte troon van Joh 5:29. Openb 20: een ieder wordt geoordeeld naar hun werken.
De Heere heeft geen lust in de dood van de godeloze. Zou Hij dan een lust hebben in het verdoemen van baby’tjes? Toorn wordt altijd gebracht in antwoord op bewuste rebellie
Maar Romeinen 5:12 dan? Het Grieks dat onder “in wie” zit wordt in alle vertalingen (Luther, Calvijn, King James, maar ook de nieuwere vertalingen) gelezen als een “omdat, aangezien”. De statenvertaling heeft dat merkwaardiger wijs niet gezien.

Edit