Edit|
EditReeks Samenvatting:
Een gelukkig en gezegend nieuw jaar wens ik u toe – een nieuwe etappe, zou het de laatste etappe zijn? 365 treden, stapjes naar de Heere toe of bij Hem vandaan? 2009 zal ons ergens brengen. 365 vragen, hoe zal het met mij gaan dit jaar, gezondheid, gezin, geloofsleven, gemeente? Ook al zijn we klein, gelukkig dat de gemeente van God een geheim heeft – ze heeft een Koning die niet zonder onderdanen kan en dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. Hoe zal het gaan in de stad? Terreur, als dat het in Nederland komt? Angst… of zal er een opwekking komen in Rotterdam? Een geestelijk ontwaken! Liefst te beginnen bij de Maranathakerk, en dan de overkant, het Leger, dan -- er was een dominee die 20 jaar bad voor een opwekking en toen die kwam was hij kwaad, want hij was op vakantie. Zelfs in het bidden om zoiets als een opwekking zijn we egoïstisch...
Zal de Heere Jezus terug komen dit jaar? De mooiste dag… Als Hij morgen komt, heb je nog een dag – trek je dan je rouwkleed of je bruidsjapon aan? Ik ben wel gered, maar maak me ook gereed voor U komst…. Wat zal ik meemaken aan woestijn-ervaringen dit jaar of Tabor-verkwikkingen. Hoogtepunten, bloemen of doornens op mijn wegen. Geef ons te dragen wat U te dragen geeft en te doen wat U opdraagt en te missen wat U me afneemt.
Een mens ziet op zijn grote tocht
niet verder dan de eerste bocht
maar wie in God vertrouwen vindt
gaat het pad af als een kind
dat simpel in het donker loopt
van toekomst weet en hoopt.
1 Psa 91 is geen mooiweer-psalm, maar wel heel treffend. Bij Corrie ten Boom in de Barteljorisstraat las vader dat en bad op het moment van 12 uur 1-jan. Zo gingen we met God het jaar in.
Er wordt gesproken over verderfelijke pest, 10.000 vallen (7). Tot u zal het niet genaken. Een vrouw in mijn eerste gemeente vertelde me ooit, dat er een polio-epidemie uitbrak in de jaren 70, zij had haar kinderen niet ingeënt. Los van wat je daar over kunt zeggen: Zij kwam er mee voor de Heere. De Heere antwoordde door Psalm 91:7. Ze kreeg rust dat het aan haar huis voorbij zou gaan en dat is ook gebeurd. Als je zo een woord krijgt van God, niet zelf geplukt, dan kun je voort.
Al ook veel vroeger, toen de Statenvertaling werd gemaakt brak de pest uit in Leiden. 1500 doden in één week tijd. Die aan de Statenvertaling werkte hadden geen vrijmoedigheid de stad te verlaten. Ze baden en ze kregen Psalm 91. En niet één bezweek aan die zwarte dood.
De Heere Jezus werd verzocht in de woestijn, 40 dagen lang, de laatste 3 verzoekingen worden vermeld. Werp je maar van de tempel – ps 91:11-12 verwijst de staan naar. Hij zal zijn engelen bevelen dat ze u bewaren. De hemelse legermacht, die zullen je opvangen. De duivel citeert niet goed. ‘Op al uw wegen’ – laat hij weg. De engelen gaan niet mee op zondige wegen. Ook vers 13 laat hij weg, want dat gaat over Hem zelf.
De auteur is waarschijnlijk Mozes geweest, net als 90, dat over de mens gaat, 91 over de gelovige mens. Het ziet waarschijnlijk op de verspieding door Jozua. Ze bleven op God vertrouwen. De zwarte draad in v 3-8, alle negatieve dingen. Hele generaties zijn afgemaaid door de zeis van de dood in de woestijn. Er is ook een rode draad van Gods trouw (v1,2) en het laatste vers, ik zal hem Mijn heil doen zien. De accolade eromheen…
De schuilplaats van de Allerhoogste: denk aan een tent; achter het tentgordijn, het verborgene van de tent, daar werd een maaltijd bereid en je kon uitrusten. Daar was je veilig, want de gastheer stond in voor je veiligheid. Gastvrijheid was heilig in het Oosten.
God heeft ook een tent, naast wolkolom. Vuurkolom. Altaren. Het verborgene van Zijn tent, dat is het Heilige der Heilige! Wij mogen er komen, het voorhangsel is gescheurd. Onder vleugelen van de cherubim op de ark, onder die schaduw. Daar mag je verkeren. Wat heel bijzonder!
Mijn wens is dat je niet alleen maar bij het altaar bent, bij het kruis, maar ook verder groeit en gaat. Het brandofferaltaar is het begin. Zo dicht bij God!
Gezeten – niet even bezoeken, zoals 1x op de Grote Verzoendag… blijven wonen. Er is geen verdoemenis voor die in Christus Jezus zijn.
2 Verkwikking.
De Allerhoogste - Al shaddai, de Algenoegzame, Shad betekent eigenlijk moederborst. Hij bedekt u – bij schaduw denk ik aan de vleugels van de Heere zelf, niet alleen de cherubs. Je hele persoon staat onder Zijn bescherming.
Een bekeerde buddhistische monnik zag iets ontroerends. Een boom brandde met een nest jonge vogels. Moeder vogel vloog heen en weer. Toen de vlammen er waren ging die moedervogel er op zitten, ze offerde haar leven; verkoold vonden ze haar, de jongen waren in leven gebleven. Dat is Golgotha, Jezus verteerde in de vlammen van Gods toorn. Zo breed zijn de vleugels van de Heere Jezus. Ook naar mij zijn Zijn armen uitgebreid. Je zult nooit kunnen zeggen; die dominee heeft een te smal evangelie gepredikt.
En wat zijn die vleugels sterk – uit die handen zal niemand je kunnen rukken. En wat zijn ze zacht..! Machtig, krachtig en ook lekker warm; het is sterk en het koestert; dat is bij ons vaak gescheiden. Bij God gaat het samen.
Laat je daar nu eens door aanlokken, gemeente. Veel kan je afschrikken als gevallen mens, één blik op Gods majesteit en je siddert; een blik op Zijn gerechtigheid en je zegt: ik kan voor U niet bestaan. Zelfs de engelen bedekken zich om Zijn heiligheid. Hij zou mij zo als een verderfelijke sprinkhaan kunnen dooddrukken.
Nodigend naar u uitgespreid. Daar mag ik overnachten. Overnachten doet me denken aan de donkerheid – geen mooiweer-psalm. Ik zou het aan een kind moeten vragen – ’s avonds als het donker wordt. Een lichtje aan, deur open, eerst onder het bed kijken. Gevaar van de nacht, een nare droom soms ook. Als je het echt niet uit kan houden , dan kom je er soms stiekem uit en je gaat naar papa en mama. Je ziet het silhouet van je moeder en je wordt rustig. Het silhouet van de Almachtige, ’t is donker, maar als er een schaduw is… het lichtje hoeft niet meer aan. Er is een plaats om te overnachten. De schaduw van de almachtige neemt de somberheid van de schaduw van de nacht weg.
3 Mijn vertrouwen
Vers 2 is zo persoonlijk, vers 1: al wie… maar 2: ik zal zeggen, mijn toevlucht. Als de Heere EEN toevlucht is, is dat een schrale troost, als dat niet voor jou is. Hij is MIJN toevlucht, wat is dat rijk. Geen hoge muren en grachten kunnen je zo beschermen als God zelf. Vertouwt u op Hem in dit nieuwe jaar, durft u dat? U bemint de Heere toch? Onbekend maakt onbemind, maar als je Hem kent…. O mocht ik U beminnen gelijk Gij mij bemint. Mag mijn hart weer in liefde gaat opvonken. Dat ik mijn eerste liefde niet verlaat…. Zeer bemind.
Die mijn naam kennen. Zijn naam en de Persoon die die naam draagt. Die naam vertrouwen.
Vers (15) = aanroepen, je krijgt ook een gebedsleven. Je gaat van Hem houden, je gaat Zijn naam kennen als betrouwbaar en je gaat Hem aanbidden.
Wie maar de goede God laat zorgen
en op Hem hoopt in 't bangst gevaar,
is bij Hem veilig en geborgen,
die redt Hij godd'lijk, wonderbaar:
wie op de hoge God vertrouwt,
heeft zeker op geen zand gebouwd.
Gez 194:1 (Herv. Bundel 1934)