Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2009-05-17 17:00:00 ds. L.W. van der Sluijs (Nijkerkerveen)

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
psa 17:8 deu 32:7-12 psa 17:1-15 2009-05-17.1713.mp3 (Preek, 16kPro, 4.8Mb)
2009-05-17C.175.mp3 (Hele dienst CD kwaliteit, 48kPro, 27.0Mb)
2009-05-17T.171.mp3 (Hele dienst, 16kPro, 9.9Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
Martinus Nijhoff schreef ooit een gedicht over zijn moeder (over de brug bij den Bommel, de eerste vaste oeververbinding tussen Zuid en Noord)

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap, wijd en zijd -
laat mij daar midden uit oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Die laatste regel blijkt helemaal niet voor te komen in de psalmen. Die ene regel is een samenvatting van het hele psalmenboek in één zin. Een kind kan het begrijpen. Misschien ze er wel bij jullie in de straat, die enge grote zwarte dingen – een grote hond, daar ben ik altijd een beetje bang voor. ‘Hij doet niets hoor’, waarom laat ie dan zijn tanden zien? Ik dacht thuis – wanneer ben je nu bang? Dan best wel een beetje. Als je vader of moeder dan bij je is, wat doen ze dan? Dan geven ze je een hand, als je merken dat je bang bent. Kom maar mee – zo langs die hond. Als je die hand maar voelt.
David was ook bang. Hij maakte een Psalm. Ik ga er maar over zingen. Dat kan soms ook heel best helpen. Dat hielp bij David. Waarom was hij zo bang? Mensen hadden het op zijn leven gemunt. Er zijn doodsvijanden, zo noemt hij ze.

Hij zingt, bidt: bewaar mij bescherm mij. Zoals U dat toch steeds hebt gedaan. Zo is toch de Heere? We hebben daar al veel over gehoord. Zo is onze God, Hij komt me wel te hulp, steekt Zijn hand wel uit. “Mooie” psalmen zijn er niet, er wordt steeds hartstochtelijk gebeden of uit de grond van het hart gejubeld. Over “mooi” gaat het niet. Het gaat erom dat je belijdt: Heere U blijft toch dezelfde.
Soms weet je het weer, hoe menselijk je bent, je bent weer bang, voor een hond. Als God een God van bescherming is, komen er vragen: waar was Hij dan toen? “Hou daar nu maar aan vast” – het zal best, maar als het je tegen zit…
Waar moet je dan naartoe? Wie biedt er redding? Of is het gewoon je lot waarin je moet berusten? Waar is God dan? Met Zijn liefde en vaderlijke en moederlijke zorgen?
Wie is er al niet bang… Denk aan de economisch crises. Heel veel onzekerheid. Werk in twijfel en wel een gezin te onderhouden. Of de Mexicaanse griep. En wat waren we geschrokken door het drama van Apeldoorn. Wat is een mensenleven… Bescherm mij….

Het psalmenboek bestaat uit 5 onderdelen. Psalm 17 staat in het eerste gedeelte (1-41). Bij dat eerste onderdeel staat vanouds bijgeschreven Deut 2:7, ‘Hij, de Heere uw God kent uw wandelen door deze zo grote woestijn.’ Die woestijn had Israël wel gekend, in Egypte. Het leerboek van dit volk, Deut 32. Hij vond Zijn volk in een land van woestijn. Waar je alleen gelaten wordt, waar je gebruikt wordt en alles te vrezen hebt. Onze leefwereld ten voeten uit. David maakt het ook mee, op zijn eigen manier. Kwetsbaar. David citeert Deut 32.
Beschermd als een oogappel. Dat is al het aller teerste. Onze oogleden knipperen automatisch als iets te na komt. Zo moeten wij beschermd worden om het minste.

Israël ging niet zo van Egypte naar het Beloofde Land, wat een woestenij.. Ook de Heere Jezus verbleef in de woestijn. Alle verzoekingen, ook de gemene fluisterstemmen.
Zo mogen we met elkaar luisteren naar deze Psalm van David. Zingt hij het voor zichzelf? Of voor God? Hij zingt het ook voor anderen, kom nou maar, leer maar zo te zingen. Of bent u vooral bang voor uzelf? Je zou toch graag vruchten willen plukken..

Zo komen die woorden uit Deuteronomium in die psalm – wij zijn toch Uw oogappel, Heere, zo teer ligt het toch. Ja als tussen een vader en zijn kind. Noemt jouw vader je wel eens zo? Of iets anders: honneponnetje? Zo heel dicht bij moet het klinken. Hij weet wat we nodig hebben. Hij kent ook David, en ook u. Als mens, met al zijn bangheid. Verberg me dan onder de schaduw van Uw vleugels. Dat hoort er ook bij. Dat mag ook ons te binnen schieten. Een adelaar die onder zijn jong schiet en hem opvang. Zo is de Heere onze God, geen vreemde God. Zo wil Hij bekend zijn. Het is ook het enige dat overblijft.

Wij kunnen een ander zo vreselijk te kort doen. We hebben een roof-natuur. De lieden van de wereld, zegt David. Hun deel is in dit leven. In de woestijn. Verwacht van het hier en nu. Als een leeuw op een verborgen plaats – Zoals zij tegen Jezus tierden. Die briesende leeuw, die rondgaat, zoekend wie hij kan verslinden.
Mijn oogappel zei de Vader van de Zoon. Mijn Jedidja. Maar in de Godverlatenheid was Jezus. Hij blijft dezelfde, Hij zal bewaren en beschermen door alles heen. Onze kinderen mogen zich altijd geborgen weten.

Geen leeuw neemt het voor hen op, maar een Lam. Gered te worden door een Lam. Een onschuldig Lam. Voor wie weerloos tijdens de woestijnreis is. Wij willen niet gezien worden als makke schapen. Moet je altijd maar laten doen en over je heen lopen? Ja. Lammetjes, geen leeuw. Op Hem het oog mogen slaan. Als het op het aller teerst is.

Het Lam zal hun leidsman zijn (Openb). Dat is voor David genoeg, dan kom ik er door. Onder de zorg van die moeder Arend. Hij kent ook mijn wandelen, ja vallen vaak. Het gaat door deze grote woestijn, maar straks…. En daarom is het voor nu genoeg, totdat daar alle tranen worden gedroogd in het land, dat is beloofd.

Edit