Preek/Lezing

Overzicht | Zoeken | Reeksen || Vorige | Volgende
Type Datum Spreker Thema opm
preek 2009-08-04 10:30:00
ds. E.F. Vergunst (em. te Ridderkerk)
Zo dan, vertroost elkander met deze woorden Rouwdienst A.C. van der Velden-de Kam

Tekst: Schriftlezing: Geluid: Reeks:
1The 4:18 1The 4:13-5:10 2009-08-04.1023.mp3 (Preek, 32kPro, 6.7Mb)
2009-08-04C.105.mp3 (Hele dienst CD kwaliteit, 48kPro, 23.5Mb)
2009-08-04T.102.mp3 (Hele dienst, 32kPro, 13.9Mb)

Edit| EditReeks
Samenvatting:
“Zo dan, vertroost elkander met deze woorden”. Daar is het de apostel dus om begonnen. Om de de gemeente in Thessalonica in haar droefheid te troosten. En hij kan dat ook doen, want er is troost voorhanden. Wezenlijke gefundeerde troost, die niet door mensen is aangedragen – hoe zouden zij dat kunnen? - maar waar God Zelf voor gezorgd heeft. Troost in het volbrachte werk van Christus. Die troost reikt de apostel aan. De troost van Jezus’ dood en opstanding. Alleen daarin is immers werkelijk troost te vinden. Zo mogen en willen wij dit woord uit de Schrift vanmorgen met elkaar overdenken en tot ons laten komen.

Want de dood heeft een machtig woord en lijkt in ons leven het laatste woord te hebben, maar hij heeft dat niet. Hij is zelf overwonnen en gedood, want Christus is in de wereld gekomen om het leven, waarin wij door de dood omvangen zijn, aan te nemen. Hij wilde ons leven leven om voor ons te sterven en door Zijn dood de duivel, die de macht over de dood had, te onttronen. Nee, Hem overkwam de dood niet, maar Hij ging naar de dood toe en heeft hem op de Goede Vrijdag zijn macht ontnomen. Het werd Pasen, waarop Hij het leven aan het licht bracht en deed triomferen. “Want Hij, die stervend ons het leven gaf, verrees in glorie uit het graf”.

Ja, daar legt de apostel de vinger bij. Dat is immers de bron van troost en hoop. Jezus is gestorven én opgestaan en heeft in Zijn dood de macht van de dood gebroken en tenietgedaan. Hij heeft het nieuwe leven aan het licht gebracht, dat eenmaal in volle luister zal doorbreken. Maar dan gaat het erom dat te geloven en daaruit te leven. Dat drukt de apostel de gemeente in Thessalonica dan ook op het hart. Indien Om in dat geloof in Jezus’ opstanding getroost te zijn. Dat hadden deze mensen nodig, zoals wij die troost nodig hebben. Want ook zij waren bedroefd, omdat de dood toegeslagen had en telkens weer toesloeg. Daarom werden er tranen gestort en de doden beweend. Dat kunnen wij verstaan? Nu toch zeker. Wie zal niet bedroefd zijn als een zeer geliefde moeder, een lieve oma en zuster ons ontvalt en weggenomen wordt? Wij kunnen elkaar niet missen, wij willen elkaar niet kwijt. Komt de dood voor mensen, die elkaar liefhebben, niet altijd te vroeg?

Ja, zo denken wij. Dat dachten de Thessalonicenzen ook, dat de dood te vroeg kwam en daar-om waren zij bedroefd. Maar daarom niet alleen! Want wie is dat niet, als geliefden door de dood ontvallen? In Thessalonica had de droefheid echter nog een andere oorzaak, dan alleen het verlies van hun geliefden. En daardoor was het verdriet van deze mensen des te zwaarder. Want de dood sloeg ook hun hoop de bodem in. En dat kwam hard aan, want hun verwachting was hooggestemd. Zij geloofden namelijk, dat Jezus spoedig terug zou komen en daar zagen zij met een groot verlangen naar uit. Zij leefden immers in de laatste dagen, die aan Jezus’ komst voorafgingen. Dat maakte hen niet bang, maar blij. Want hun hart en leven was op Jezus gericht. En als de wijze maagden zouden zij Hem bij Zijn verschijning als hun Bruidegom tegemoetgaan. Zo dachten zij tenminste. Zij zouden Hem als het ware uit de hemel afhalen en in de waakzaamheid van hun liefde luisterden zij of zij Zijn voetstappen nog niet hoorden.

Zo leefde deze jonge gemeente in de spanning van de eerste liefde, vurig en vol heimwee. Zij allen zouden Hem ontmoeten en Hem vol blijdschap begroeten. Want zij hadden Hem lief. Boven allen en alles. Was Hij niet voor Hen gestorven? Had Hij niet Zijn liefde aan hen geschonken? Had Hij niet voor hen de zaligheid verworven? Wat het Hem ook had gekost. Zouden zij Hem dan niet liefhebben en naar Hem verlangen? Nee, zij verlangden niet naar de bruiloft, want dat is alleen een zaak van levensbehoud, maar naar de Bruidegom! En dat is een zaak van liefde. Dat verlangen naar Jezus tekende hun leven. Dat kan toch niet anders? Liefde zoekt de ander en kan niet buiten de ander. Zo zet de liefde tot Jezus in de vreze des Heeren haar stempel op het leven én op het sterven. Want dat geeft een getroost leven en doet zalig sterven. Daar ging het in het leven van uw moeder en oma toch om? En zal het daar in ons aller leven niet om moeten gaan? Om in de liefde tot Jezus getroost te zijn, ook in het uur van ons sterven.

Die rijke troost van het ontslapen in Jezus legt de apostel vaniddag dicht aan ons bedroefde hart, zoals bij die mensen in Thessalonica. Want de dood kan ónze gedachten wel verstoren, en dat gebeurde bij de Thessalonicenzen, maar niet Góds gedachten. Zij dachten namelijk, dat hun doden de Bruidegom nu niet meer zouden ontmoeten. Zij waren immers gestorven en Jezus was er nog niet. Zij hadden Hem wel verwacht, maar in plaats van Jezus kwam de dood en nu waren zij weg. Zo raakten zij in verwarring. Waar zouden hun doden zijn? Wat was het lot van hun gestorvenen? Zouden zij, als Jezus terugkwam, er niet bij zijn om Hem welkom te heten en te begroeten? Zij zouden wel achterblijven in het graf en dát maakte hun droefheid zwaar.

Ja maar, wisten zij dan niet van de opstanding der doden? Was die hun niet door Paulus verkondigd? Dat is zeker waar geweest, zoals wij dat ook mogen weten, maar dat te weten is nog iets anders, dan eruit te leven en erin getroost te zijn. En daar gaat het nu om en daar spreekt de apostel hen op aan. En daar spreekt hij ook ons vanmiddag op aan. Tot vermaning en tot vertroosting. Wat ons wel diep raakt in de droefheid van deze mensen, is dat zij om hun doden bekommerd waren. En zijn zij ons daarin niet ten voorbeeld? Want hun droefheid kwam op uit hun liefde. Wat schrijft Paulus van deze mensen? Het is niet nodig om u te schrijven over de broederlijke liefde, want gij zelf hebt van God geleerd om elkaar lief te hebben. En weet u, waarin die liefde het meest uitkomt? In de zorg om het welzijn van degenen, die wij liefhebben? Ja, maar dan bovenal om hun eeuwig welzijn.

Hebt u dat niet gemerkt in het leven van uw moeder en oma, dat zij het heil van haar kinderen en kleinkinderen beoogde en hen in haar gebeden droeg tot voor Gods troon? Die gebeden hebben nu in haar sterven een einde gevonden, maar blijven bij God in gedachtenis. Is dat niet de meest kostbare herinnering, die kinderen aan hun ouders kunnen hebben? Het is tegelijk ook een opdracht en aansporing om in hun voetspoor te gaan en de God van je ouders aan te roepen als de God van het verbond, Wiens trouw rust zelfs op het late nageslacht. Zo zal haar gedachtenis tot zegen zijn.

Welk een lichtend voorbeeld gaven de Thessalonicenzen in deze liefde van Christus. Paulus had ook zelf van deze gemeente veel liefde ontvangen en hij was er in zijn dienst zeer door vertroost. Hij noemt haar zijn blijdschap en heerlijkheid in de toekomst van Jezus. Toen hij dan ook bij monde van Timotheüs hoorde van de droefheid van deze mensen, heeft hij niet geaarzeld om hun deze condoleantiebrief te sturen. Want dat is deze brief in feite, maar het is niet een brief vol rouwbeklag. Integendeel, de apostel tilt hen boven hun verdriet uit en hij gaat hen onderwijzen en vertroosten vanuit het sterven en de opstanding van Christus. “Indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem”. Dat zal gebeuren in Zijn toekomst. Gegarandeerd in Zijn opstanding.

Als Paulus hier spreekt over wederbrengen, zou men daaruit kunnen opmaken, dat Christus en de Zijnen gescheiden zijn. Dat lijkt ook wel zo, want de hemel en het graf liggen ver uit elkaar. Maar in werkelijkheid zijn zij niet te scheiden. Geen enkel kind van God ligt alleen in het graf, want de dood is niet bij machte de schapen van Christus uit Zijn hand te rukken. Ook uw vrouw en moeder niet. Daarom zijn wij wel bedroefd, maar niet als de anderen. Niet als de wereld, die geen weet heeft van de toekomst des Heeren en van Zijn liefde.

Daar is dus een tweeërlei droefheid. De droefheid van de wereld zonder hoop én de droefheid van de gelovige in heimwee! Want in hope zalig geworden, dan behoeven en mogen wij zelfs niet onwetend zijn aangaande het lot dergenen, die in Christus gestorven zijn. Nee, zo zeg ik het verkeerd. Paulus zegt niet, dat zij gestorven zijn. Zij zijn – zegt hij – in Jezus ontslapen. Ingeslapen. En dat zegt hij niet zo om de hardheid van de dood te camoufleren, maar dat is de werkelijkheid. Gods kinderen sterven niet meer, want zij zijn al met Christus gestorven en met Hem opgewekt tot een nieuw leven. De dood ligt achter hen en aan het einde van hun aardse loop worden zij in de slaapkamer van Christus te rusten gelegd en in het door Hem geheiligde graf bewaard tot de grote dag van hun ontwaken.

Zij ontslapen en over iemand die slaapt, behoeft men niet te wenen. Gestorven is er maar Eén! In de volle zin van dat woord. Hij ontsliep niet, maar ging onder in de dood. Hij droeg de dood in al zijn verschrikking en vloek. Hij gestorven voor mij! Ja, als dat mijn zwanenzang is, dan mag ik slapen gaan. Want Hij is niet in de dood gebleven, maar heeft in Zijn opstanding de weg gebaand ten leven voor allen, die met Hem gestorven zijn en opgewekt.

Met Hem! Ja, op die twee woorden moet u in het bijzonder letten. In leven én in sterven. In waken en in slapen. Met Hem! Zoals het bezongen wordt in het lied van het geloof en de liefde:
‘k Voel mij door de nauwste band
in die hoop aan Hem verbonden.
Mijn gelove houdt Zijn hand
vast tot in mijn laatste stonden.
En geen macht van dood en graf
Rukt mij ooit van Jezus af.

“God zal degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem”. Hoe Paulus dat zo zeker weet? Hij heeft het van de Meester Zelf gehoord. Hij weet het uit de mond van Jezus. “Wij zeggen u dat met het woord des Heeren”. Het is door Jezus Zelf aan Zijn jongeren beloofd, dat Hij hen op Zijn glorierijke dag niet zal vergeten. En het zal straks blijken, als God op die dag allen, die in Jezus ontslapen zijn, zal wederbrengen met Hem. Al liggen zij in het graf, al zijn zij omgekomen op de brandstapel, al zijn zij verscheurd in de arena’s, al liggen zij onder het puin van een aardbeving, de verheerlijking van en met Christus zal niemand van de Zijnen ontgaan. Zij zullen niet achterblijven en zij zullen niet achterstaan bij hen die dan nog in het aardse leven zijn, want zij worden – zegt de apostel - door Jezus eerst wakker gemaakt en tot leven gewekt om dan tezamen met de levenden als de bruid van Christus opgenomen te worden in de wolken, de Heere tegemoet. En zo zullen zij altijd met de Heere zijn. En daar was het hun toch om begonnen? Was het daar ook uw geliefde overledene niet om begonnen?

Dan heb ik nog twee vragen. Allereerst deze: hoe denkt u, dat die bedroefde mensen in Thessalonica deze brief van Paulus gelezen en gehoord hebben? Zullen zij niet door hun tranen heen geglimlacht hebben? Zij mochten in blijdschap en dankbaarheid denken aan hun bloedverwanten in de hemel, die hen waren voorgegaan. Want zij waren niet in de greep van de dood, maar in de hand van Jezus. Zij waren niet gestorven, maar ontslapen. En wie zo slaapt, is niet dood, maar rust in vrede. Want de God van Abraham, de Vader van onze Heere Jezus Christus, is niet een God van doden, maar van levenden.

En nu de laatste vraag. Hoe leest u deze brief van de apostel? Het kan maar op twee manieren. Wakend of slapend. Nu slapend, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben? Ja, zo duidt Paulus die anderen aan, die ook droefheid kennem, maar geen verwachting hebben. Zij denken ook niet aan de eeuwige toekomst, want als mensen van de nacht dromen zij van vrede, maar hun overkomt een plotseling verderf. Want de dag des Heeren zal hen als een dief overvallen.

Of lezen wij deze troostbrief van de apostel wakend als kinderen van het licht en van de dag? Om Jezus te verwachten! Dan loopt eenmaal de wacht ten einde en dan pas mogen wij gaan slapen. In een zalige rust. Tot de vreugde-bazuin ons opwekt en het geroep allerwegen weerklinkt: Ziet, de Bruidegom komt; gaat uit, Hem tegemoet, die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij ontslapen zijn, tezamen met Hem leven zouden. Eeuwig leven! Zo dan, vertroost elkander niet met andere, maar alleen met déze woorden. Amen.

Edit